Dermatologie, KNO en oogheelkunde

Dermatologie

In de dermatologie is de belangrijkste vraag: 'wat zie ik?' Een goede beschrijving is daarbij essentieel. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de PROVOKE-methode. De 'E' staat hierbij voor efflorescenties, met name primaire efflorescenties (tabel 1)

Efflorescentie Omschrijving
Abces Een holte gevuld met pus, zonder een eigen wand.
Crusta Een korst. Het kan bestaan uit bloed, vuil, necrotisch materiaal etc.
Cyste Een holte gevuld met vocht, met een eigen wand.
Erosie Epidermale schade zonder littekenvorming.
Excoriatie Diepere schade, tot in dermis.
Macula Verkleuring van de huid zonder verdere afwijkingen.
Nodulus/nodus Een palpabele verhevenheid in de (epi)dermis of onder de huid (subcutis). Hierbij is een nodulus <1cm en een nodus >1cm.
Papel/plaque Solide verhevenheid van de epidermis. Een papel is <1cm en een plaque is >1cm.
Pustel Een holte dat zichtbaar is en gevuld is met purulent vocht. Dit kan, naast infectieus, ook steriele vocht zijn.
Urticaria Verhevenheden in de huid. Kan roze, wit of rood zijn van kleur.
Vesikel/bulla Een holte dat zichtbaar is en gevuld is met vocht. Kan hemorrhagisch zijn.

Tabel 1: veelvoorkomende efflorescenties in de dermatologie.

Figuur 1: anatomie van de huid.

 

Het huid bestaat uit 3 delen: de bovenste epidermis, de middelste dermis en onderste subcutis. In deze verschillende lagen zitten verscheidene structuren. Ook kan de epidermis nog verder worden onderverdeeld op basis van cellen (van diep naar oppervlakkig):

  • Stratum basale
  • Stratum spinosum
  • Stratum granulosum
  • Stratum lucidum
  • Stratum corneum


Tumor van de huid
Bij een tumor denkt men vaak snel aan huidkanker. Tumor betekent eigenlijk in het Latijn 'gezwel' en wordt ook gebruikt voor andere gezwellen dan huidkanker. De tumoren worden ingedeeld op basis van staat in goedaardige, kwaadaardige en pre-kwaadaardig.

  • Goedaardig
    • Dermatofibroom: een harde nodus bestaande uit bindweefsel. Kenmerkend is de dimple sign, waarbij je huid indeukt wanneer je de dermatofibroom vastpakt door het naar beneden bewegen van de epidermis.
    • Lipoom: elastische nodus/nodulus in de subcutis bestaande uit vetweefsel.
    • Verruca seborrhoica: beter bekend als een ouderdomswrat of wijsheidsplekje waarbij een ruw, jeukende en bruine laesie te zien is die bij oudere mensen voorkomt.
    • Xanthoom: ophoping van inracellulaire vetten (lipiden) in de dermis. Resulterend in gele tot bruine papels. De oorzaak ligt in hypercholesterolemie, hyperlipidemie of hyperlipoproteïnemie.
  • Kwaadaardig
    • Basaalcelcarcinoom (BCC, baso): de meest voorkomende vorm van huidkanker vanuit de stratum basale. Vaak door zonschade. Hij groeit erg traag en metastaseert bijna nooit. Hierom een goede prognose. Het is vaak een papel dat glanst wanneer je er licht op schijnt. Rondom kunnen teleangiëctasieën zichtbaar zijn.
    • Plaveiselcelcarcinoom (PCC, plano): ook vaak door zonschade en immunogesuppresseerde patiënten. Het metastaseert in 2%, maar vaker in het gelaat. Een solitaire nodus met ulceratie wordt gezien. Een plano in situ wordt een Morbus Bowen genoemd.
    • Melanoom: de meest agressieve vorm van huidkanker dat sneller uitzaait. De risico is groter bij een positieve familieanamnese, veel moedervlekken (>100), huidtype 0/1, zonlicht en baso's en plano's in de voorgeschiedenis. Bij een melanoom wordt gelet op de ABCDE: asymmetry (asymmetrie), border (randen), color (kleur), diameter (>6mm), evolution (verandering). De behandeling is in 2 stappen: (1) een diagnostische excisie en (2) een therapeutische re-excisie. De therapeutische re-excisie wordt met een marge gedaan op basis van de Breslow-dikte (afstand stratum corneum tot diepste tumorcellen). Bij een dikte tot 2mm is dit met een marge van 1cm en bij een dikte van meer dan 2mm een marge van 2cm. De Breslow-dikte geeft ook een indicatie van overlevingskansen in 10 jaar die exponentieel afneemt naarmate de cellen dieper zijn gelegen.
  • Pre-kwaadaardig
    • Actinische keratose: een onrustige huid dat is aangedaan door veelvuldige zonschade. De plekken voor hard en ruw en vertonen hyperkeratose. Onbehandeld kan het leiden tot PCC.


Eczeem (dermatitis)
Een veelvoorkomende diagnose is eczeem: een (meer of mindere mate) rode, schilferende en jeukende huid. Er zijn veel vormen van eczeem. De belangrijkste vormen zijn:

  • Atopisch eczeem (constitutioneel eczeem)
    Meestvoorkomende type van eczeem op basis van een hypersensitieve reactie (type 1). Het wordt gezien met astma, familieanamnese, hooikoorts en andere allergieën en psoriasis. Het treft verschillende locaties op het lichaam. Bij baby's veelal in het gelaat en achterhoofd, bij kinderen op de buigzijden van knieën en ellebogen, enkels en polsen en bij volwassenen vooral rondom de genitaliën, het gelaat en nek, handen en strekzijden van de ellebogen en knieën. Men reageert veelal op dieren, wol, huisstofmijt en onkruid.
  • Contacteczeem
    Een type 4-hypersensitieve reactie op locaties waar je langdurig in contact bent met een allergeen, zoals nikkel en latex etc. Het wordt veelal in handen en voeten gezien waar men met bepaalde voorwerpen werkt, zoals een kapster met bepaalde metalen werkt in haar handen of het dragen van bepaalde schoeisel.
  • Seborroïsch eczeem
    Dit is eczeem waar de talgproductie hoog is, zoals je behaarde hoofdhuid, oksels, haargrenzen, wenkbrauwen. De schilfering is vaak wat gelig van kleur. De oorzaak ligt aan de samenstelling van de talg, maar kan ook komen door een gist: Malassezia.

 

Psoriasis
Een chronische huidaandoening met erythemato-papulo-squameuze lesies (rode huid met schilferende plekken) die kan jeuken. Er bestaan verschillende vormen, waarvan psoriasis vulgaris de meest bekende is.

  • Psoriasis vulgaris
    Scherpe begrensde laesies op de huid zien, vooral op strekzijden van de ellebogen en knieën, navel en hoofdhuid. Het bijzondere is dat het vaak symmetrisch is aan beide kanten. De familieanamnese is vaak positief. De oorzaak is vooralsnog niet geheel bekend, maar geacht wordt een immuunreactie op basis van T-helper-1 cellen. Hierbij ontstaat dan hyperproliferatie van de keratinocyten vanuit de stratum basale. Drie kenmerken zijn specifiek:
    • Kaarsvetfenomeen: krassen over een laesie leidt tot witte schilfering.
    • Auspitzfenomeen: puntbloeding na het wegkrabben op plekken waar het schilfert.
    • Köbnerfenomeen: psoriasisvorming op traumalocaties, zoals een wond of krabplekken.

Minder bekende vormen zijn artritis psoriatica (psoriasis bij artritis), psoriasis inversa (vooral in lichaamsplooien), psoriasis capitis (vooral op hoofdhuid), psoriasis unguium (vooral op nagels in additie tot psoriasis).
De behandeling bestaat uit lokale corticosteroïden van klasse III of IV (betamethason of clobetasol). Bij onvoldoende effect kan lichttherapie of biologicals gebruikt worden; voorkeur gaat naar lichttherapie in verband met hoge kosten.

 

KNO

Het oor
Tijdens het onderzoek van het oor wordt er 'getrokken' aan het oor. Dit wordt gedaan om de gehoorgang beter te zien door de buiging erin. Bij volwassenen trek je het oor naar achter en naar boven en bij kinderen juist naar onder. Om dieper in het oor te beoordelen wordt vervolgens gebruik gemaakt van een otoscoop (figuur 1). Hiermee beoordeel je het volgende:

  • Reflex van Pollitzer: dit is een reflectie van het licht in het trommelvlies in de onderste en voorste kwadrant.
  • Membraan van Schrapnell: de zwakste plek in het trommelvlies door de aanhechting van het malleus botje.
  • Kleur: shiney grijs.

Onderzoek gehoor
Om het gehoor te beoordelen wordt eerst de stemvorkproef uitgevoerd. Hiermee kan onderscheid gemaakt worden tussen conductief gehoorverlies (probleem in conductie/geleiding in het oor) of perceptief gehoorverlies (storing in waarneming). De stemvorkproeven zijn Weber en Rinne en worden afhankelijk van elkaar beoordeeld.

    • Uitvoering van de proef van Weber
      De stemvork wordt aangeslagen en geplaatst op het voorhoofd. Het zou in beide oren gehoord moeten worden. Indien het geluid zich hoorbaar maakt in een oor, kan dit het volgende betekenen:
      • Conductief gehoorverlies in het oor waar je het hoort.
      • Perceptief gehoorverlies in het oor waar je het minder hoort.

    Om dit onderscheid te maken wordt de proef van Rinne uitgevoerd

    • Uitvoering van de proef van Rinne
      Na het aanslaan van de stemvork wordt deze geplaatst op het mastoïd. Wanneer het niet meer te horen is, geeft de patiënt dit aan en wordt de stemvork enkele centimeters voor het oor gehouden. Dit wordt beiderzijds uitgevoerd. Normaal hoor je vervolgens weer het geluid (lucht geleid beter dan bot), de test is dan positief. Er is dan geen gehoorverlies of sensorisch gehoorverlies in het andere oor (waar het geluid bij Weber dus minder werd waargenomen). Indien Rinne negatief is, is er een conductief gehoorverlies, omdat het geluid beter wordt geleid door het bot dan door lucht. 

    Een toonaudiometrie kan vervolgens uitgevoerd worden om te beoordelen hoeveel een patiënt hoort. Je beoordeelt de lucht- en botgeleiding. Een normaal gesprek is rond de 60 decibel (dB). Normale gehoor van minimaal 20 dB wordt geacht als lichte gehoorverlies.

     

    De neus
    Beoordeling door middel van een neusspeculum en licht (voorhoofdslamp). Pijn bij palpatie wijst op rhinosinusitis. Daarbij let men op het septum en de conchae (figuur 2).

    Figuur 2: anatomie van de neus en mond.


    De hals, keel en de mond
    De hals wordt onderzocht op basis van de lymfeklieren en structuren in de hals (figuur 3). De lymfeklieren zijn op te delen op basis van 6 verschillende niveaus: submentaal (I), hoogjugulair (II), midjugulair (III), laagjugulair (IV), supraclaviculair (V), paratracheaal (VI) en ook retro-/pre-auriculair en occipitaal. Daarnaast wordt de larynx (cartilago thyroidea, os hyoideum, cartilago circoidea en ligamentum cricothyroideum), trachea, schildklier en de speekselklieren beoordeeld.
    Bij de boordeling van de mond wordt gekeken naar de lippen, de tanden, het tandvlees (gingiva), de tong, het palatum/gehemelte, de tonsillen en amandelen en in de keel naar de achterwand van de orofarynx (figuur 2).

     

    Pathologie van het oor

    • Otitis is een ontsteking dat kan voorkomen in de externe oor (externa) of in het middenoor (media).
    • Otosclerose: verstijving van het labyrint(kapsel) door overmatig botgroei. Hierbij ontstaat er slechte geleiding (conductief gehoorverlies). De eerste verschijnselen zijn vaak rond de 20-40 levensjaar. In 80% van de gevallen is het beiderzijds.
    • Ouderdomsslechthorendheid (presbyacusis): langzaam en progressieve minder horen op basis van perceptieve gehoorverlies dat komt door het ouder worden. Het is het resultaat van accumulatie van meerdere factoren, zoals langdurig lawaai, ototoxiciteit etc.
    • Het evenwichtsorgaan
      Verstoring van het evenwichtsorgaan kan leiden tot draaiduizeligheid (vertigo). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in 3 types:
      • Benigne paroxysmale positieduizeligheid (BPPD): korte draaiduizeligheid van seconden tot minuten dat wordt uitgelokt door bepaalde houdingen. Het is vak tijdelijk en verdwijnt met enkele weken.
      • Ziekte van Menière: episodes van enkele oren waarbij de klachten bestaan uit een trias van draaiduizelig, tinnitus (oorsuizen) en gehoorverlies die kunnen persisteren voor langere tijd.
      • Neuritis vestibularis en labyrinthitis: draaiduizeligheid van dagen tot zelfs weken. Wanneer er stoornissen in het gehoor zijn, is het neuritis; zo niet noemen we het labyrinthisis. Vaak ligt een virale infectie ter grondslag.

      • Brughoektumor: zelden gezien maar belangrijk om uit te sluiten bij draaiduizeligheid. Het geeft myelineschade aan de nervus vestibulocochlearis (n. VIII) en soms nervus facialis (n. VII) en nervus trigeminus (n. V).

     

    Pathologie van de neus

    • Epistaxis (neusbloedingen): veelvoorkomende aandoeningen, vooral bij jongeren en ouderen. Bij jongeren is het veelal een gevolg van infecties of trauma. Bij ouderen gaat het veelal om een tumor. Paradoxaal kan veelvuldig gebruik van neusspray leiden tot neusbloedingen als gevolg van uitdroging. Veruit de meeste bloedingen (80%) komt vanuit locatie waar veel anastomose is van de vaten: locus Kiesselbachi.
    • Polyposis nasi (neuspoliepen): veelvoorkomend bij volwassen van 30-40 jaar met goedaardige zwellingen. De oorzaak is niet bekend. Het komt veel voor in de sinus ethmoïdales. Men ervaart verstopping, verminderd ruiken, hoofdpijn en een drukkend gevoel.
    • Choanale atresie: dit is het dichtzitten van de neus achterin. Het is vaak unilateraal, maar wanneer het bilateraal is, wordt het een levensbedreigende situatie: baby's ademen de eerste 3 á 4 weken immers alleen door de neus. 
    • Rhinosinusitis: een overkoepelende term waarbij er een ontsteking is in de sinussen (4: maxillaris, frontalis, ethmoïdales en sphenoidalis) of de neusholte. Men spreekt van een chronische vorm wanneer het >12 weken duurt.

     

    Pathologie van de hals en keel

    • Angio-oedeem
      Non-pitting van de extremiteiten, het gelaat, genitaliën, en de keel wat kan leiden tot luchtwegobstructie. Veelvoorkomende oorzaken zijn medicatie (Ace-remmers) en allergische reacties op voedsel.
    • Reinke's oedeem
      Vocht in de stemplooien met een lage en schore stemmen. Het is een bekend fenomeen bij rokende vrouwen en bij overmatige stembelasting.
    • Mucokèle
      Een cyste van de klieren met speeksel. Een bekende locatie is in de lippen.
    • Sialolithiasis
      Stenen in de speekselklieren, vaak in de glandula submandibularis met onbekende oorzaak.
    • Tumor
      Vaak een goedaardige tumor, een adenoom of warthintumor, van de glandula parotis.

     

    KNO pathologie bij kinderen

    Kinderen presenteren zich vaak met acuut hoesten. Het is belangrijk te realiseren dat pasgeborenen fysiologisch veelal uit de neus ademen, en nog niet uit de mond. Er zijn een viertal aandoeningen die of veel gezien wordt of gevaarlijk is bij kinderen.

    • Pseudokroep (laryngitis subglottis)
      Dit is een ontsteking van de keel dat veel voorkomt bij kinderen van 5 maanden tot 6 jaar dor een para-influenza virus. Men presenteert met blafhoest, stridor, heedheid en het gebruik van hulpademhalingsspieren. Behandeling is expectatief en bij ernstigere gevallen kan worden overgegaan op dexamethason.
    • Kinkhoest (pertussis)
      Dit is een erg infectie door een bacterie: Bordetella Pertussis. Het is opgenomen in de vaccinatie-programma. Een typerend kenmerk zijn de driftige, productieve en droge hoestbuien. Het is zeer besmettelijk.
    • Bronchiolotis
      Een longinfectie, veelal door een virus, dat veel voorkomt bij kinderen jonger dan 2 jaar. Het lijkt erg op astma, maar heeft aanhoudende hoesten met piepen en moeite met ademhaling.
    • Epiglottitis
      Dit is een gevaarlijk beeld met ontsteking van epiglottis . Het wordt veel gezien bij kinderen tussen 1 en 10 jaar. Er is hoge koorts aanwezig en kinderen zijn erg aan het kwijlen. Bij verdenking hierop mag er niet in de keel gekeken worden omdat dit kan leiden tot een acute ademstilstand.

    Oogheelkunde

    Het oog (figuur 4)
    Het gezichtsveld
    Dit is het beeld dat wordt verkregen zonder het hoofd of de ogen te moeten bewegen. Dit kan je indelen in de centrale en perifere gedeelte. Het centrale is het punt waar het het scherpst is, waar perifeer de rest er omheen is. Je test de perifere gezichtsveld door middel van een Amsler grindkaart; het perifere zicht wordt getest volgens de confrontatiemethode van Donders.

    Figuur 4: de anatomie van het oog.

    De gezichtsscherpte
    Ook wel de visus genoemd is de mate van hoe scherp je het beeld ziet. Dit wordt gedaan met behulp van een visuskaart. Deze wordt op 5 á 6m van de patiënt getoond, waarna deze per regel minimaal 2/3 goed dient te hebben. Met de laatste regel waarvan 2/3 gelezen kon worden kan dan de visus berekend worden met de volgende formule:

    • Visus = d/D
      • Visus = gezichtsscherpte als verhouding en zonder eenheid
      • d = laatst gelezen regelafstand
      • D = afstand waarbij iemand met een visus van 1,0 diezelfde afstand kan lezen.
        • Wist je dat? De bepaling van D helemaal niet evidence-based is? Herman Snellen, een Nederlandse oogarts, achtte de ogen van zijn receptioniste als het gemiddelde en bepaalde op basis van haar visus de 'D'. Je vergelijkt de visus dus eigenlijk met de receptioniste van Herman Snellen.

    Wanneer de eerste regel niet te lezen is, wordt dit op een simplistische manier gedaan: vingers tellen. De patiënt wordt verzocht om de hoeveelheid vingers aan te geven tegen een witte achtergrond. Iemand met een visus van 1,0 kan dit doen wanneer de vingers op 60m afstand zijn. De formuler wordt dan visus = d/60 (waarbij d = afstand tussen vingers en patiënt).
    Indien de patiënt ook dit niet lukt, wordt er gekeken of de patiënt hand-/zwaaibewegingen kan waarnemen op 1m afstand. Een persoon met een visus van 1,0 kan dit op ongeveer 300m; de formule wordt dan visus = 1/300.

    Reflexen van het oog
    Het oog kent 2 primitieve reflexen die vanaf de geboorte aanwezig zijn:

    • Pupilreflex: het reflexmatig open en dichtgaan van de pupil op basis van de hoeveelheid licht die het ontvangt. De baan die het aflegt is via de nervus opticus, naar de optische chiasma, de pretectale nucleus, de nucleus accesorius en terug via de nervus oculomotorius die werkt op de spier musculus sphincter pupillae. Omdat beide ogen samenkomen in de pretectale nuclei, reflexeren de pupillen samen. Het oog dat niet belicht wordt, maar toch reageert noem je de indirecte pupilreactie.
    • Corneareflex: dit is de reflex die optreedt bij het irriteren van de cornea, waarbij het ooglid sluit, er traanproductie wordt verhoogd en de oogbol naar boven draait. De baan die het aflegt is sensorisch afferent (van het oog af) via de nervus opthalmicus en motorisch efferent (naar het oog toe) via de nervus facialis. De nervus facialis bedient dan de musculus orbicularis voornamelijk.


    Pathologie van het oog
    Refractieafwijkingen
    Normaliter valt het beeld (lichtstralen) dat je ogen binnenkomt precies op het netvlies (de retina). Hierdoor zie je scherpbeeld, dit noemen we normaalziend, of emmetropie. Het abnormaal zien komt doordat het beeld voor of achter de retina valt en is afhankelijk van verschillende factoren, de belangrijkste zijn de sterkte van de cornea en de afstand van de oogbol (oogas: afstand hoornvlies tot achtervlak ooglens). We kennen 3 bekende verschillende refractieafwijkingen:

    • Myopie (bijziend): de patiënt ziet dichtbij goed, maar veraf minder doordat het beeld voor de retina valt (te veel breking of een te lange oogas). Dit wordt hersteld door het licht meer te breken voor het door het oog gaat met behulp van holle glazen (concave, negatief, min).
    • Hypermetropie: de patiënt ziet veraf goed, maar dichtbij minder doordat het beeld achter de retina valt (te weinig breking of een te korte oogas). Dit wordt hersteld door het licht minder te breken voor het door het oog gaat met behulp van bolle glazen (convex, positief, plus).
    • Astigmatisme: door een afwijking in de hoornvlies is deze niet meer rond maar ovaalvormig. Hierdoor worden lichtstralen op verschillende manieren gebroken en valt het beeld niet op 1 (brand)punt. Dit wordt hersteld met behulp van een cilindrische bril.

    Tot slot hebben oudere patiënten vaak last van presbyopie, oftewel ouderdomsverziendheid. Hierbij kan men, net als bij hypermetropie veraf niet goed zien en neemt men een bril met positieve glazen. Het verschil is dat dit een fysiologisch proces is waarbij de ogen niet meer goed kunnen accommoderen (immers, accommodeer je om dichtbij goed te zien). Het ontstaat vaak na de leeftijd van 40 jaar.

    Glaucoom
    Dit is 1 van de belangrijkste oorzaken van slechtziendheid. Hierbij ontstaat er schade aan het oog, de zenuwvezels en de oogzenuw door een verhoogde oogdruk. Het is een progressieve aandoening, waardoor men het niet snel opmerkt en de gezichtsvelduitval vaak onomkeerbaar is. Patiënten komen vaak met de klachten dat ze een scotoom zien of dat ze het idee hebben niet meer snel op dingen te kunnen reageren omdat het 'ineens in beeld is' (perifeer gezichtsvelduitval). Risicofactoren zijn oculaire hyperensie, positieve familieanamnese, HVZ, DM en bij negroïde patiënten.
    Er zijn verschillende soorten glaucoom op basis van de mechanisme:

    • Openkamerhoek glaucoom: meestvoorkomende vorm met een hoge oogdruk, een afwijkende oogzenuw en een afwijkend gezichtsveld. Hierbij is het afvoersysteem, de openingen in het filtersysteem (trabekelsysteem), deels verstopt met onbekende oorzaak. Patiënten hebben vaak geen pijn. Behandeling door middel van oogdrukverlagende middelen: bèta-blokker of prostaglandine-analoog.
    • Geslotenkamerhoek glaucoom: hierbij is de afstand tussen het hoornvlies en de iris verminderd waardoor het trabekelsysteem wordt afgesloten door de iris. Hierbij ontstaat, in tegenstelling tot openkamerhoek vaak meer pijn, regenbooghalo's om lichtbronnen, rood oog en acute intra-oculaire hypertensie. Behandeling door middel van operatie.

    Cataract (staar)
    Een aandoening die ook in de wereld een belangrijke oorzaak is van blindheid. Het is het gevolg van vertroebeling van de lens, waardoor lichtstralen worden verstoord met een onscherp beeld als gevolg. Het wordt vaak gezien bij ouderen en een bekende vorm is dan ook ouderdomsstaar dat het gevolg is van verklontering van eiwitten in de lens door de jaren heen. Patiënten klagen vaak van slechtzien, kleurverandering en lichtverstrooiing/halo's bij licht. De behandeling is een staaroperatie: meest uitgevoerde en meest succesvolle operatie in Nederland (175.000 per jaar).

    Maculadegeneratie (netvliesveroudering)
    De macula, de gele vlek, is het punt in het oog waar je het scherpst ziet en deze bevindt zich in het centrale, midden gedeelte achterin de netvlies waarbij er een hoge concentraties aan contrast- (staafjes) en kleurcellen (kegeltjes) aanwezig zijn. Bij degeneratie of slijtage van de macula begin je minder scherp te zien; vaak een centrale scotoom en vervorming van beeld (metamorfopsie). Er bestaat een natte en droge vorm. De droge vorm is het meest voorkomend (80%) waarbij er atrofie optreedt; vaak is er geen behandeling nodig. Bij de natte vorm ontstaan er nieuwe bloedvaten en oedeem dat leidt tot degeneratie; dit wordt verholpen met behulp van angiogeneseremmers en/of lasertherapie.

    Rode oog
    Het is van belang om onderscheid te maken tussen visusbedreigende en niet-visusbedreigende aandoeningen. Om dit te bepalen wordt er gekeken naar de alarmsymptomen: pijn, visusverandering, fotofobie, misselijkheid en braken. Belangrijke oorzaken van visusbedreigingen zijn:

    • Acuut glaucoom: verhoogde oogdruk met veelal pijn, visusverandering en fotofobie. Patiënten zien halo's rond lichtpunten.
    • Conjunctivitis: dubbelzijdig en vaak geen alarmsymptomen. Kan seizoensgebonden zijn, infectieus of irritatief. 
    • Uveïtis: pijn, fotofobie en matige visusverandering met afwijkende pupilreactie (miosis). In de ogen kunnen neerslaande cellen te zien zijn: hypopyon (Descement-stippen).
    • Hyphaema: bloeding in voorste oogkamer met een rode balk.
    • Keratitis: heftige pijn met visusverandering en fotofobie.

    Overige oogaandoeningen

    • Amblyopie: beter bekend als een lui oog is een aandoening waarbij de zenuwbanen in de kinderjaren niet goed of volledig zijn ontwikkeld. Je behandelt dit tot het 8e levensjaar door het afplakken van het. goede oog om zo het slechte oog te stimuleren. Na het 8e levensjaar is er geen verbetering meer in het oog.
    • Anterior ischemic optic neuropathy (AION): een infarct van het oog, ook wel bekend als amaurosis fugax. Patiënten zien vaak een 'gordijn zakken' voor hun ogen. Men is vaak bekend met HVZ.
    • Hyposphagma: een scherp-begrensde bloeding in de conjuctiva dat spontaan geneest binnen 2 tot 4 weken. 
    • Diplopie: dubbelzien.
    • Retinaloslating (ablatio retina): kan meerdere oorzaken hebben, maar komt vaak bij ouderen voor als gevolg van veroudering en hypotensie in het oog (minder vocht). Men ziet vaak lichtflitsen, zwarte vlek(ken) en mouches volantes (sliertjes).
    • Strabismus: scheelzien.