Home » Kennis » Voortgangstoets/Crux » Farmacotherapie » Farmacokinetiek

Farmacokinetiek

De farmacokinetiek beschrijft de processen waaraan een werkzame stof in het lichaam wordt onderworpen. 

  • Absorptie: absorptie is de snelheid waarmee de werkzame stof wordt opgenomen en de mate van de opname onderscheiden. De mate van absorptie bepaalt de biologische beschikbaarheid (F) geeft aan hoeveel van de toegediende werkzame stof uiteindelijk de algemene circulatie bereikt. F varieert van 0 (geen werkzame stof) tot 1 (alle werkzame stof beschikbaar). 
  • Distributie: het verdelingsvolume (Vd) is de verdeling van de stof in het lichaam. Het is het fictieve volume wat berekend kan worden als men weet hoeveel geneesmiddel er in de patiënt aanwezig is en de bijbehorende plasmaconcentratie. De formule is: C0 = F x D / Vd. Het verdelingsvolume is praktisch van belang voor het bepalen van een oplaaddosis om snel een gewenste plasmaconcentratie te bereiken en wordt meestal uitgedrukt in L/kg. 
  • Metabolisme: het geneesmiddelmetabolisme vindt plaats in de lever via biotransformaties middels type I- en II-reacties. Beide reacties resulteren in een toegenomen oplosbaarheid in water van het molecuul. Type I-reacties zorgen voor hydrolyse, oxidatie of reductie. Type II-reacties zorgen voor acetylering, glucoronidering of sulfatering. Soms wordt het middel (prodrug) pas biologisch actief na metabolisme.
  • Eliminatie: het lichaam kan een stof elimineren via de lever en de nieren. De nieren scheiden stoffen uit de wateroplosbaar zijn, de lever zet minder hydrofiele stoffen om in hydrofiele stoffen. De klaring is de hoeveelheid plasma dat per tijdseenheid van een stof wordt ontdaan. De onderhoudsdosis in steady state is afhankelijk van de klaring. Bij nierinsufficiëntie is de glomerulaire filtratie verminderd en is er kans op accumulatie. 


Halfwaardetijd 

De halfwaardetijd is de tijdsduur waarin de plasmaconcentratie waarde halveert. Deze tijd bepaald de noodzaak van een oplaaddosering. Een lange halfwaardetijd kan komen door een geringe klaring of door een groot verdelingsvolume. 

 

Geneesmiddelenallergie 

Overgevoeligheidsreacties komen veel voor. Een geneesmiddel kan aanleiding geven tot een immunologische respons die zich kan presenteren met koorts, exantheem, gestoorde lever- en nierfunctie, pneumonie, mucosale laesies en/ of hematologische afwijkingen zoals auto-immuun hemolytische anemie of auto-immuun trombocytopenie.

Bij een anafylactische reactie, trombocytopenie, hemolytische anemie en ernstige huisreacties moet acuut gestopt worden met het middel. 

  • Anafylaxie is een reactie ontstaan pas nadat sensibiliteit is opgetreden. De reacties worden bij een eerste blootstelling pas manifest 7-21 dagen na start met het medicijn. Bij herhaalde blootstelling kan het binnen enkele minuten of na enkele dagen komen. De reacties worden in 4 graden verdeeld:
    1. Graad 1: jeuk erytheem en urticaria.
    2. Graad 2: graad 1, met gegeneraliseerd oedeem en gastro-intestinale klachten (nausae, buikkrampen en diarree).
    3. Graad 3: graad 2, met stridor, dysfagie, heesheid en dyspneu.
    4. Graad 4: (graad 3, met) cyanose, hypotensie, collaps, bewusteloosheid, incontinentie en ernstige hartritmestoornis.

 

Trombocytenpenie/ hemolytische anemie 

Hemolytische anemie geassocieerd met geneesmiddelengebruik: belangrijke veroorzakers zijn β-lactam-antibiotica. Het ontstaat door binding van IgG-antistoffen aan een (bijvoorbeeld) penicillinedeterminant gebonden aan de erytroctenmembraan. De hemolytische anemie treedt na ongeveer een week op. Na stoppen treedt herstel binnen enkele dagen op. HIT (heparine geïnduceerde trombopeniekomt relatief weinig voor. Hierbij ontstaat bij patiënten een antistof tegen het complex van heparine en de in bloedplaatjes voorkomende plaatjesfactor-4. Binding leidt tot krachtige plaatjesactivatie, wat leidt tot het verbruik van trombocyten. 

 

Huidreacties 

Huidreacties zijn de meest voorkomende bijwerkingen. Het vaakst worden exanthemen, maculopapuleuze erupties, urticaria en angio-oedeem gezien. 

  • De maculopapuleuze eruptie is de vaakst voorkomende geneesmiddeleneruptie en wordt vooral gezien bij penicillinen, carbamazepine en allopurinol.
  • Urticaria is een jeukende huideruptie, die licht verheven is, waarbij vaak een centrale opbleking is op de rode plekken. Dit kan het gevolg zijn van een IgE-gemedieerde, allergische reactie, maar kan ook veroorzaakt worden door een niet-allergische reactie.
  • Syndroom van Stevens-Johnson (SJS) en Toxische epidermale necrolyse (TEN): deze reacties zijn relatief zeldzaam. Naast de huid zijn vaak ook meerdere slijmvlieslokaties aangedaan. Het gaat meestal gepaard met conjunctivitis en orale mucositis. Wanneer >30% van het lichaamsoppervlak is aangedaan, spreekt men van TEN. Het klinisch beeld hiervan is vergelijkbaar met brandwonden. De huid laat vaak in grote plakkaten los. SJS en TEN worden gekarakteriseerd door necrolyse van het slijmvlies en de huid. Beide ziekten zijn levensbedreigend.

 

Bronnenlijst

  1. 2021. Reader Farmacotherapie. [ebook] Nijmegen: NVKFB. Available at: <https://nvkfb.nl/wp-content/uploads/2022/01/FTE-Reader-november-2021_track23122021.pdf> [Accessed 11 January 2022].