Home » Kennis » Vaardigheden » Perifuur infuus

Perifuur infuus

Het inbrengen van een infuus is een voorbehouden handeling waarbij je intraveneus iets kan toedienen, zoals vocht of bloed. Het is een vaak gebruikte en invasieve behandeling. De voorkeurslocatie voor een infuus is de onderarm, want van deze locatie is bekend dat het de minste complicaties (bijvoorbeeld tromboflebitis) geeft (figuur 1). Alternatieve locaties zijn: de hand, de elleboogplooi, het onderbeen of de voet. Bij zuigelingen worden ook de bloedvaten op het hoofd gebruikt. Bij kinderen wordt regelmatig gebruikgemaakt van de hand- en voetrug.

Bron: Perifeer infuus. Dungen, Dr. J.J.A.M. van den. Uitgeverij: Bohn Stafleu van Loghum.

 

Indicaties 

Directe toegang tot de bloedbaan is een indicatie voor het plaatsen van een perifeer infuus. Door middel van deze toegang kan vocht en/of medicatie worden toegediend. Aangezien de middelen gelijk de bloedbaan in zullen komen zal de werking veel sneller plaatsvinden dan bij orale medicatie bijvoorbeeld. 

 

Contra-indicaties 

Voor het inbrengen van een perifeer infuus zijn er geen contra-indicaties. Er zijn wel contra-indicaties voor bepaalde locaties waar het perifeer infuus ingebracht kan worden. Zo kan een infuus niet ingebracht worden op een plaats waar op dat moment een huidinfectie actief is of waar symptomen van trombose aanwezig zijn. Deze bezwaren kunnen ook praktische bezwaren zijn zoals bijvoorbeeld gips, een breuk in de extremiteit of een geplande ingreep aan de betreffende extremiteit. Een verhoogde bloeddruk hoeft geen contra-indicatie te zijn, maar er moet wel met voorzichtig gewerkt worden; zo moet er goed afgedrukt worden als het inbrengen van de katheter niet gelukt is of dergelijke. 

 

Alternatieven 

Mocht bij een patiënt al een centrale lijn zijn ingebracht of een Port-a-Cath-systeem, kan de reeds bestaande toegangsweg gebruikt worden voor het toedienen van vocht of medicatie. Bij bepaalde (irriterende) middelen wordt de voorkeur altijd gegeven aan de centrale lijn. 

Veel medicijnen die intraveneus worden toegediend kunnen ook ook subcutaan of intramusculair worden gegeven, hierbij zal de werking net zo snel zijn als bij een intraveneuze toediening. Wanneer een medicijn echter vaak gegeven moet worden is een infuus wel fijner voor een patiënt. Bij continue medicatietoediening kan een katheter subbutaan geplaatst worden.

Ook vocht kan door middel van een subcutaan geplaatste katheter toegediend worden. Zo wordt in verpleeghuizen deze methode weleens toegepast om dehydratie te behandelen. Vocht moet echter geresorbeerd worden, waardoor de hoeveelheid vocht die per tijdseenheid gegeven kan worden erg beperkt is. Een andere alternatief voor de intraveneuze toegang is de botnaald, waarbij een injectie van de cortex van een bot tot in het beenmerg wordt gebracht. Op deze wijze kan grote hoeveelheden vocht worden toegediend en de toegediende medicatie zal snel kunnen reageren. 

 

Naalddikte

Er zijn verschillende maten voor infuusnaalden en deze worden uitgedrukt in G (Gauge); Bij een laag getal krijg je te maken met een grote naald en een langere en dikkere katheder. Het verdubbelen van de straal van de naald levert een vier keer zo grote oppervlakte op. Hierbij stijgt ook de maximale flow die over die katheter gegeven kan worden. Bij een hemodynamisch instabiele patiënt heeft het daarom de voorkeur een zo groot mogelijke infuusnaald te gebruiken.  Het plaatsen van een dunnere en korte infuuskatheter is makkelijker, omdat u deze ook in kleinere vaten kunt plaatsen. Complicaties zoals tromboflebitis komen minder vaak voor bij dunnere infuuskatheters dan bij dikkere. 

 

Benodigdheden

  • Een ruime hoeveelheid gazen; 
  • Desinfectans (chloorhexidine 0,5 % in alcohol 70 %); 
  • Stuwbanden; 
  • Celstof onderlegger; 
  • Een paar niet-steriele handschoenen; 
  • Infuuskatheter met naald; 
  • Afdekpleister; 
  • Infuusvloeistof in een fles of zak; 
  • Een container voor naalden; 
  • Witte pleister om de katheder te tunnelen. 

In het onderstaande is een overzicht van de stappen die je moet ondernemen om op correcte wijze een perifeer infuus in te brengen. 

  1. Hand hygiëne dient toegepast te worden;
  2. Verzamel het benodigde materiaal;
  3. Controleer het materiaal op verloopdatum en inhoud van de infuuszak. Check nogmaals of u de juiste vloeistof voor de juiste patiënt hebt; 
  4. De infuuszak hangt pas op correcte wijze wanneer het etiket naar u toe wijst; 
  5. Het plastic dopje van de aansluitnippel van de infuuszak dient verwijdert te worden;
  6. De druppelregelaar dient gesloten te zijn; 
  7. De beschermdop van de infuussysteemnaald moet in de insteekopening van de infuuszak gestoken worden. De insteekopening mag echter niet aangeraakt worden, deze moet steriel blijven! 
  8. Open het klemmetje; 
  9. Wanneer in de filterkamer wordt geknepen, wordt deze gevuld. Deze moet tot de rand van het filter gevuld worden; 
  10. Wanneer de druppelregelaar wordt geopend, vult de rest van de slang zich met vloeistof. Nu moet u de vloeistof net zo lang stromen tot de lucht er helemaal uit is. Het dopje op het einde van de slang kunt u erop laten zitten, aangezien deze het ontluchten niet verhindert. Het aansluitpunt van het systeem dient steriel te blijven. Mochten er na het ontluchten nog bellen in de slang zitten, moet het dopje aan het einde van de slang eraf worden gehaald om de vloeistof (en zo de bellen) eruit te laten; 
  11. Ontlucht de driewegkraantjes:
    1. Draai de witte dop een goede slag (deze mag er niet van af worden gedraaid); 
    2. Draai de witte dop weer vast zodra er een druppel tussendoor lekt; 
    3. Draai het kraantje zo, dat er geen opening is in de richting van de witte dop. Dit herhalen indien er meer kraantjes zijn.

 

Uitvoering

  1. Stel uzelf voor aan de patiënt en identificeer de patiënt;
  2. Vertel aan de patiënt welke handeling u gaat uitvoeren;
  3. Vraag naar de medicatie-geschiedenis van de patiënt (in het bijzonder of hier bloedverdunners onder vallen). Ga ook na of de patiënt problemen heeft met de bloedstolling. Vraag ook naar overgevoeligheden zoals bijvoorbeeld pleisters; 
  4. Mocht dit mogelijk zijn laat u de patiënt zelf kiezen voor de rechter of linkerarm, waarna u bepaalt waar er precies geprikt gaat worden; 
  5. Kijk of de patiënt knellende sieraden (m.n. ringen) en/of een horloge draagt en vraag de patiënt ze af te doen in verband met mogelijke stuwing; 
  6. Handhygiene dient toegepast te worden; 
  7. De benodigdheden dienen binnen handbereik klaargelegd te worden; 
  8. Zorg ervoor dat de patiënt in een comfortabele houding op het bed ofwel ligt of in halfzittende houding is ;
  9. U dient nu zelf ook op de juiste plek te zitten om de handeling effectief en veilig uit te kunnen voeren;
  10. De arm van de patiënt dient nu ontbloot te worden;
  11. Leg een celstofonderlegger onder de arm van de patiënt; 
  12. Vraag de patiënt om de arm te strekken en zorg voor steun onder de arm;
  13. Leg de materialen klaar en open de verpakking van de bevestigingspleister; 
  14. Proximaal van de functieplaats dient het stuwband gelegd te worden. Hierbij moet erop gelet worden dat de huid van de patiënt niet in de gesp geklemd komt; 
  15. Inspecteer en palpeer de onderarm voor een geschikte punctieplaats. Zoek een vat uit;
  16. De stuwband dient ontspand te worden; 
  17. Indien de punctieplaats sterk behaard is, kan dit de fixatie van het systeem bemoeilijken. Scheer in dat geval rondom de punctieplaats de haren weg;
  18. Nu dienen de niet-steriele handschoenen aangetrokken te worden;
  19. Het gehele gedeelte van de huid die onder de afdekpleister komt dient gedesinfecteerd te worden (het desinfectans mag u laten drogen); 
  20. De stuwband moet u weer strak aantrekken; 
  21. In het geval u de punctieplaats nog een keer wilt palperen, moet u eerst de vinger waarmee u wilt palperen desinfecteren; 
  22. U dient met de hand waarmee u wilt prikken het infuuskatheder tussen duim en vingers vast te houden(de vingers onder de huls en de duim bovenop). De opening van de naald is altijd naar boven gericht, wanneer de vleugels van de katheter aan de onderkant zitten; 
  23. Trek met uw niet-dominante duim de huid op de punctieplaats strak, zodat deze niet kan verschuiven ten opzichte van de vene tijdens de punctie; 
  24. De prik dient aangekondigd te worden;

 

Het infuus aanprikken

  1. U dient de huid aan te prikken terwijl u de volgende aandachtspunten in beschouwing houdt: de naaldopening moet naar boven wijzen, de prik moet onder een hoek van 30 graden plaatsvinden. Deze hoek dient verkleind te worden na het aanprikken en de naald wordt een paar millimeters opgeschoven in het verlengde van het vat (figuur 2); 
  2. U dient uw prikhand op correcte wijze op de arm te fixeren (zie onderstaand plaatje) terwijl u de naald met de katheder in de vene stabiliseert; 
  3. Met uw niet-dominante hand dient u de katheder over de naald in de vene te schuiven; 
  4. De stuwband maakt u nu los met uw niet-dominante hand; 
  5. Fixeer met duim en wijsvinger van de niet-dominante hand de infuuskatheter aan de vleugels en trek met uw dominante hand de naald geheel uit de katheter en gooi deze in de scherpafvalcontainer. Indien u werkt met een infuusnaald zonder terugslagklepje, dient u het vat af te drukken net proximaal van de katheterpunt alvorens de naald eruit te trekken;

Figuur 2: aanbrengen infuus in juiste hoek (a) en doorschuiven (b).

Bron: Perifeer infuus. Dungen, Dr. J.J.A.M. van den. Uitgeverij: Bohn Stafleu van Loghum.


Infuussysteem aan de katheter

Er zijn verschillende aspecten waar rekening mee gehouden moet worden wanneer er een infuussysteem aan een katheder wordt vastgemaakt. Allereerst is het belangrijk dat in het geval dat er een bloedafname moet plaatsvinden het bloed al is afgenomen voordat het infuussysteem wordt aangesloten. Het toedieningssysteem dient druppelend aangesloten te worden. Om te voorkomen dat het systeem wordt gecontamineerd dient het systeem goed aan de katheder vast te zitten, zonder dat hierbij de (insteek)opening van de katheder het infuus raakt. Rond de insteekopening dient de huid schoon en drooggemaakt te zijn. Het is hierbij belangrijk om de insteekopening niet aan te raken. U dient nu uw handschoenen uit te doen en daarna moet u de ligging van de katheder te controleren. Voor het opvangen van vloeistof gebruikt u een bekken.Nu dient u de witte dop van het driewegkraantje dat het verst van de katheter gelegen is iets open te draaien. Hierna moet u het kraantje rustig een kwartslag draaien, zodat de infuusvloeistof via dit kraantje kan teruglopen, mocht u zien dat er bloed in de katheter/slang zichtbaar is, draai dan direct het kraantje weer dicht naar de oorspronkelijke positie en draai de witte dop weer vast.

Hierna dient u te controleren of het infuus druppelt wanneer het openstaat. Ook moet u letten op de verdikking achter de functieplaats. Het infuus dient verwijderd te worden wanneer het infuus subcutaan is. Nadat u deze dingen hebt gecontroleerd moet u de insteekopening afplakken met een steriele afdekpleister (figuur 3). Het is de bedoeling dat de insteekopenig in het midden van de pleister zit.

Figuur 3: afdekpleister (a) of tunnelen (b) van infuus.

Bron: Perifeer infuus. Dungen, Dr. J.J.A.M. van den. Uitgeverij: Bohn Stafleu van Loghum.

 

De infuusslang moet (gezien vanuit de katheter), een bocht van 180° maken. Daarna moet u de slang twee keer op de huid van de patiënt fixeren met een getunnelde pleister.  Nu kunt u de infuussnelheid.

 

Afronding 

Het afronden van de behandeling bestaat uit een aantal punten. Zo dient de infuusarm eerst gespalkt worden.  Daarna wordt het materiaal opgeruimd en dit volgt met het toepassen van handhygiëne. Het kort evalueren met de patiënt zelf zal daarna plaatsvinden waarna u indicatie, handeling, verloop, datum en tijd in het patiëntendossier kunt noteren. Het is hierbij toepasselijk om het infuusbeleid af te spreken.

 

Aanbrengen van een perifeer infuus bij kinderen 

Ook bij kinderen is het belangrijk om de procedure goed uit te leggen. Er dient altijd in aanwezigheid van een volwassene geprikt te worden die het kind kan troosten. Het is van toepassing om voor afleiding te zorgen voor het kind. Het is altijd belangrijk dat iemand anders aanwezig is (meestal een verpleegkundige) die het kind fixeert en zo nodig dingen aangeeft. 

Pas nadat u ervoor hebt gezorgd dat de procedure zo pijnloos mogelijk is kunt u prikken. Voor zuigelingen tot 6 maanden wordt sucrose gebruikt (1 flacon per prikpoging). Bij oudere kinderen wordt 30 à 60 minuten voor punctie de huid verdoofd met Emla/Rapydan. In het geval van haast kan de huid ook verdoofd worden met xylocaïnespray wegens de snelle werking die binnen een paar minuten optreedt. Aandachtspunt hierbij is dat u bij het schoonvegen uw vingertoppen beschermt omdat deze anders verdoofd kunnen raken.

Zuigelingen en jonge kinderen dienen te liggen tijdens het prikken. Met een kind ouder dan vier jaar kunt u afspreken of hij/zij wil dat er geteld wordt voordat u gaat prikken en zo ja, wie er telt (er wordt maximaal tot en met 3 geteld). Ook wordt aan de oudere kinderen gevraagd of ze mee willen kijken. Aangezien de vaten oppervlakkiger liggen bij een kind, is de prikhoek kleiner dan bij volwassenen. Probeer tijdens de punctie met het kind te blijven praten. U dient zowel het vat als de ledemaat waarin u prikt te fixeren (trek de huid hierbij strak). Bij kinderen dient intraveneuze vloeistof altijd via een pomp toegediend te worden. 

 

Hoe dient het infuus verwijderd te worden?

Desinfecteer ten eerste uw handen en trek niet-steriele handschoenen aan. Hierna klemt u de infuusslang dicht en trekt u voorzichtig de pleister die de katheter fixeert, los. Nu dient u in de ene hand een gaasje te nemen en in de andere hand de katheder. Ruim hierna het infuussysteem en de katheter op. Het is van belang om te checken of de insteekopening nabloedt. Daarna plakt u het gaasje vast met een pleister. Tot slot kunt u uw handschoenen uittrekken om daarna handhygiëne toe te passen. In het patiëntendossier kunt u de verrichte handeling noteren.

 

Problemen die zich kunnen uitvoeren bij de uitvoering 

In het geval u onervaren bent is het van belang om tijdig hulp in te schakelen van een ervaren prikker. De volgende problemen komen vaak voor : 

  • Pijn bij patiënten; 
  • Het lukt niet een geschikte vene te vinden;
  • Het lukt niet om de katheder in de vene te plaatsen;
  • U krijgt geen bloed terug via de naald;
  • Hematoomvorming;
  • De katheter lijkt goed te zitten, maar het infuus loopt niet; 
  • Overwegingen bij een hernieuwde poging het infuus te plaatsen.

 

Bij elk van de bovengenoemde problemen is het dus van belang om de hulp van iemand met ervaring in te schakelen.

 

Nazorg 

Bij de nazorg zijn er enkele punten van aandacht :

  • Het bepalen van de infuussnelheid:
  • Flebitis (aderontsteking); 
  • Koorts/bacteriëmie. 

 

Bronnenlijst

  1. Perifeer infuus. Dungen, Dr. J.J.A.M. van den. Uitgeverij: Bohn Stafleu van Loghum.