Home » Kennis » Vaardigheden » Katheteriseren van de blaas

Katheteriseren van de blaas

Een blaaskatheter is een techniek waarbij de blaas wordt geleegd. Dit wordt gedaan middels een buis dat tot de blaas wordt ingebracht.

 

Indicaties

  • Urineretentie: bij langdurige operaties of wanneer spontane lediging onmogelijk is wegens een overvolle blaas. Een veel voorkomende oorzaak hiervan is benigne prostaathypertrofie met obstructie van de urethra.
  • Neurogene blaas: door aandoening van het zenuwstelsel is de contractiekracht van de blaas of de functie van de sluitspier aangedaan. Denk aan mogelijkheid tot intermitterende (zelf)katheterisatie.
  • Terminaal ziek, bedlegerig of dementie: controle over de blaas is verdwenen. Denk aan de noodzaak van een verblijfskatheter bij decubituswonden. Echter, verzorgingsproblemen en preventie van decubitus zijn geen indicatie voor een verblijfskatheter. Denk aan de risico’s van een urineweginfectie en/of een urethrastenose.
  • Blaascarcinoom: bij lokale toediening van medicamenten in de blaas.
  • Baby’s: bij twijfel over urineweginfectie. Gecontroleerde mictie is onmogelijk en gebruik van plaszakje levert onvoldoende schone urine op. Overweeg een blaaspunctie bij infravesicale obstructie.

 

Alternatieven

Bij incontinentie heeft incontinentiemateriaal de voorkeur boven een urethraverblijfskatheter. Mannen kunnen gebruik maken van een condoomkatheter, waarbij de infectiekans minder is. Bij een peri- en postoperatieve verblijskatheter die >48u blijft zitten, heeft een suprapubische katheter de voorkeur. Deze wordt onder narcose ingebracht middels een snede boven het os pubis en met een trocart een opening in de blaas te maken. Gebruik voor residubepaling een echo.

 

Katheteriseren

Benodigdheden
Katheteriseren en vervangen van een suprapubische katheter zijn voorbehouden handelingen. Vaak is er een pakket aanwezig met alle benodigdheden (figuur 1).

Figuur 1: benodigdheden om te katheteriseren.

Bron: Praktische vaardigheden. Groningen: Wolters-Noordhoff; 1997.


Check of het volgende aanwezig is:

  • Schoon leidingwater of  chloorhexidine 0,1 %
  • Anesthetisch glijmiddel in voorgevulde wegwerpspuit (bijvoorbeeld instillagel)
  • Nierbek of kom
  • Ballonkatheter 14–18 Ch.
  • Gazen of wattenbolletjes 
  • Voor eenmalige katheterisatie bij voorkeur een gesiliconiseerde latexkatheter, voor een langdurige verblijfskatheter een 100% siliconenkatheter
  • Steriele en niet-steriele handschoenen 
  • 10 cc injectiespuit met water of fysiologisch zout
  • Steriele doek
  • Urineopvangzak (beenzak of bedzak)
  • Celstofonderlegger 
  • Fixatie: bedhaak, beenbandjes of pleisters

 

Soorten katheters

Er zijn twee soorten katheters (figuur 2): katheters voor eenmalig gebruik en verblijfskatheters.

  • Eenmalig katheteriseren: één lumen voor afvoer van urine.
  • Verblijfskatheter: twee lumina. Eén voor afvoer van de urine, een terugslagventiel voorkomt terugstromen van urine. Tweede lumen dient voor vullen en legen van de ballon waarmee de katheter in de blaas wordt gefixeerd.

Figuur 2: (1) vrouwenkatheter, eenmalig, (2) mannenkatheter, eenmalig en (3) verblijfskatheter, ballon opgeblazen

Bron: Praktische vaardigheden. Groningen: Wolters-Noordhoff; 1997.


De binnenverpakking is altijd steriel. Katheters zijn van rubber of siliconen. Bij de laatste is de kans op infectie kleiner. Katheters met een gebogen tip zijn niet standaard en passeren de prostaat bij afwijkende anatomie gemakkelijker. De tip dient tijdens het inbrengen naar ventraal te wijzen.

 

Uitvoering

Man
Inbrengen dient zo steriel mogelijk te gebeuren (figuur 3). Volg het protocol van de instelling of volg onderstaande stappen (werk eventueel samen met een collega, deze kan helpen de patiënt te positioneren en de materialen steriel aangeven):

  1. Stel u voor en identificeer de patiënt
  2. Vertel de patiënt van tevoren over de handeling. Leg uit dat er een slangetje via de plasbuis in de blaas wordt gebracht om urine af te laten lopen. Het inbrengen van de katheter kan vervelend en pijnlijk zijn. 
  3. Zorg voor privacy
  4. Pas handhygiene toe en trek niet-steriele handschoenen aan
  5. Leg de materialen klaar en maak een steriel werkveld
  6. Laat patiënt met ontbloot onderlichaam op de onderzoeksbank of het bed liggen
  7. Leg een schone handdoek of celstofonderlegger onder de billen van de patiënt
  8. Laat de spuit met instillagel op het steriele werkveld vallen
  9. Open de buitenste verpakking van de katheter en laat de katheter in zijn steriele binnenverpakking op het werkveld vallen
  10. Vul het bakje met wattenbollen met leidingwater (eerst even de kraan laten lopen) en zet het bakje terug op het werkveld
  11. Vraag de patiënt (of de verpleegkundige) de voorhuid terug te trekken en de penis even op te houden.
  12. Eventueel kan een splitdoek – die u alleen bij de uiterste punten vastpakt – onder de penis worden geschoven, zodat een steriel werkvlak ontstaat en u geen nieuwe katheter hoeft te pakken als u per abuis de katheter loslaat. 
  13. Fixeer de penis met uw niet-dominante hand en maak de glans van de penis met de natgemaakte wattenbollen schoon. Strijk steeds van de meatus af, met ieder bolletje één keer. Leg het laatste wattenbolletje onder de penis, zodat de glans vrij blijft liggen. 
  14. Breng de punt van de spuit met instillagel voorzichtig in de meatus en spuit 5–10 cc instillagel langzaam in de urethra. 
  15. Druk de urethra net proximaal van de glans een halve minuut dicht om te voorkomen dat het anestheticum er direct weer uitloopt. Het duurt een minuut voor de verdoving gaat werken. 
  16. Zet het bekkentje tussen de benen van de patiënt. 
  17. Trek de niet-steriele handschoenen uit
  18. Trek nu steriele handschoenen aan.
  19. Open de binnenverpakking van de katheter en trek de katheter met de niet-dominante hand uit de binnenverpakking. Zorg ervoor dat de katheter niet in contact komt met de omgeving. 
  20. Pak de katheter met de dominante hand in de pengreep 5 cm vanaf de kathetertip.
  21. De katheteruitgang fixeert u tussen pink en ringvinger van de dominante hand, waarbij de katheter met een lus op de rug van deze hand ligt. 
  22. Omvat de penis met de niet-dominante hand tussen duim en wijsvinger en strek deze in ventrale richting. 
  23. Schuif de katheter met de dominante hand voorzichtig op in de urethra. Als de kathetertip bij de prostaat komt voelt u vaak enige weerstand. Beweeg de penis dan naar beneden in de richting van de voeten van de patiënt. Geef lichte tractie aan de penis en voer de katheter verder op totdat de urine begint af te lopen. 
  24. Leg de katheteruitgang in het bekkentje en voer de katheter verder op tot deze zeker in de blaas is, eventueel tot de bifurcatie. 
  25. Vul het ballonnetje met water of fysiologisch zout (op de katheter staat hoeveel water in de ballon moet, meestal 5–10 ml). Dit moet zonder weerstand mogelijk zijn. 
  26. Trek de katheter voorzichtig terug tot u wat weerstand voelt. 
  27. Koppel de katheter aan de katheterzak (been- of bedzak) of breng de katheterstop in de katheteruitgang nadat de blaas is leeggelopen. 
  28. Schuif het preputium terug over de glans en fixeer de katheter op buik of been van de patiënt.

Figuur 3: katheterisatie bij een man.

Bron: Praktische vaardigheden. Groningen: Wolters-Noordhoff; 1997.


Vrouw
Inbrengen dient zo steriel mogelijk te gebeuren. Volg het protocol van de instelling of volg onderstaande stappen (praktische tip: werk samen met een collega, deze kan helpen de patiënt te positioneren en de materialen steriel aangeven):

  1. Stel u voor en identificeer de patiënt
  2. Vertel de patiënt van tevoren over de handeling. Leg uit dat er een slangetje via de plasbuis in de blaas wordt gebracht om urine af te laten lopen. Het inbrengen van de katheter kan vervelend en pijnlijk zijn. 
  3. Zorg voor privacy
  4. Pas handhygiene toe en trek niet-steriele handschoenen aan
  5. Leg de materialen klaar en maak een steriel werkveld
  6. Laat patiënt met ontbloot onderlichaam op de onderzoeksbank of het bed liggen
  7. Leg een schone handdoek of celstofonderlegger onder de billen van de patiënt
  8. Laat de spuit met instillagel op het steriele werkveld vallen
  9. Open de buitenste verpakking van de katheter en laat de katheter in zijn steriele binnenverpakking op het werkveld vallen
  10. Vul het bakje met wattenbollen met leidingwater (eerst even de kraan laten lopen) en zet het bakje terug op het werkveld
  11. Vraag de patiënt de knieën op te trekken en de benen ontspannen opzij te laten vallen. Leg eventueel een splitdoek over de benen van de patiënt. 
  12. Maak de vulva van de patiënt schoon met de wattenbollen. 
  13. Spreid met de niet-dominante hand de labia en reinig met de wattenbolletjes gedrenkt in leidingwater strijkend vanaf de symfyse naar het perineum het gebied rondom de urethramond. Strijk met ieder wattenbolletje maar eenmaal en laat het laatste wattenbolletje even in de commissura posterior zitten, zodat de labia minora wat gespreid blijven. 
  14. Breng de punt van de spuit met instillagel voorzichtig in de urethraopening en spuit 5–10 cc instillagel langzaam in de urethra (een alternatief is wat instillagel op de kathetertip te spuiten). 
  15. Zet het bekkentje tussen de benen van de patiënt. 
  16. Trek de niet-steriele handschoenen uit. 
  17. Trek nu steriele handschoenen aan. 
  18. Pak de katheter met de dominante hand in de pengreep 5 cm vanaf de kathetertip. 
  19. De katheteruitgang fixeert u tussen pink en ringvinger van de dominante hand, waarbij de katheter met een lus op de rug van deze hand ligt. 
  20. Spreid met de niet-dominante hand de labia minora. 
  21. Schuif de katheter met de dominante hand voorzichtig op in de urethra en voer de katheter verder op, totdat de urine begint af te lopen. 
  22. Leg de katheteruitgang in het bekkentje en voer de katheter verder op, tot deze zeker in de blaas is, eventueel tot de bifurcatie. 
  23. Vul het ballonnetje met water of fysiologisch zout (op de katheter staat hoeveel water in de ballon moe, meestal 5–10 ml). Dit moet zonder weerstand mogelijk zijn. 
  24. Trek de katheter terug totdat u wat weerstand voelt. 
  25. Koppel de katheter aan de katheterzak (been- of bedzak) of breng de katheterstop in de katheteruitgang nadat de blaas in leeggelopen. 
  26. Fixeer de katheter op buik of been van de patiënt.

Eenmalige katheterisatie
De handelingen zijn hierbij in principe hetzelfde. Het grote verschil: na de handeling wordt de katheter verwijderd.

 

Problemen bij uitvoeren

  • Bloedverlies uit penis/katheter.
    Hierbij voorzichtig hanteren van katheters en niet doordrukken maar penis op en neer bewegen, katheter iets terugtrekken en opnieuw opvoeren. Leg de juiste maat 15mins in de diepvries waardoor deze stugger wordt. Géén kleinere maat kiezen.
  • Perforatie urethra (fausse route).
    Bij pijnlijke procedure kan bloed langs de katheter uit de penis lopen. Advies: verwijzing uroloog.
  • Pijn bij vullen ballonnetje.
    Waarschijnlijk is de katheter niet genoeg opgevoerd. Laat de ballon leeglopen en voer katheter verder op.
  • Katheter loopt niet meer na opblazen ballon.
    Controleer opvoerlengte. Laat de ballon leeglopen en vul na opvoeren weer.
  • Moeite met vinden urethraopening.
    Spreid de labia goed en laat de patiënt persen. Let op: door persen kan verzakking manifest worden en opschuiven kathetertip bemoeilijkt raken.
  • Katheter loopt niet.
    Is er sprake van een lege blaas? Wellicht is er sprake van een obstructie door instillagel. Spoel de katheter met steriel water om de tip te heropenen.

 

Nazorg

Bij eenmalig diagnostisch katheteriseren kan de katheter verwijderd worden nadat de blaas is leeggelopen/het urinemonster is afgenomen. Laat bij een grote urineretentie de katheter 2-5 dagen zitten om herhaling retentie te voorkomen.

Patiënteninstructie bij verblijfskatheter

  • Urineproductie moet ten minste 1,5-2L per dag zijn
  • Uitwendige genitaliën en gebied rondom urethramonding dagelijks reinigen met water. 
  • Desinfecterende vloeistof is niet effectief.
  • Urineopvangzak dient geregeld geleegd te worden ter preventie van terugstromen urine.
  • Het systeem dient zoveel mogelijk gesloten te blijven ter voorkoming van infecties.

Katheterverstopping door gruis- of kalkvorming kan zich uiten doordat de urineproductie lijkt te stoppen of er is sprake van lekkage langs de katheter. Advies is om de katheter te wisseleen of te spoelen. Wanneer gruis of bloedstolsels aanwezig zijn kan een wijdere katheter worden geplaatst (>18ch).

Risico op een urineweginfectie is 5% per katheterisatiedag. Antibiotica toedienen om deze infectie te bestrijden is alleen zinvol als er klinische verschijnselen van een weefselinfectie optreden (koorts, algemene malaise, delier).

 

Suprapubisch katheter

Een suprapubisch katheter (figuur 4) wordt middels een sneetje in de huid, boven de symfyse, in de blaas gebracht. Vervangen van een suprapubische katheter is door het rechte weg naar de blaas toe vaak makkelijker dan het vervangen van een gewone verblijfskatheter en kan zowel in de thuissituatie als poliklinisch worden gedaan. Bedenk dat na 1 tot 6 uur het insteekkanaal dicht kan gaan zitten, wacht hierom niet te lang met de inbreng van een nieuwe katheter.

Figuur 4: suprapubisch katheter.

Bron: Praktische vaardigheden. Groningen: Wolters-Noordhoff; 1997.

 

Instrumenten en materialen
Vaak is er een pakket aanwezig met alle benodigdheden. Controleer of onderstaande aanwezig is

  • Schoon leidingwater
  • Anesthetisch glijmiddel in voorgevulde wegwerpspuit (bijvoorbeeld instillagel)
  • Nierbek of kom
  • Ballonkatheter 14–18 Ch. Voor eenmalige katheterisatie bij voorkeur een gesiliconiseerde latexkatheter, voor een langdurige verblijfskatheter een 100% siliconenkatheter
  • Gazen of wattenbolletjes 
  • 10 cc injectiespuit met water of fysiologisch zout
  • Steriele en niet-steriele handschoenen 
  • Urineopvangzak (beenzak of bedzak)
  • Steriele doek
  • Bedhaak, beenbandjes
  • Celstofonderlegger 
  • Fixatie: splitgazen en pleister

De handeling

  1. Informeer de patiënt van tevoren over de handeling. Leg uit dat er een slangetje via de opening in de buikwand in de blaas wordt gebracht om de urine te laten aflopen. Het inbrengen van de katheter kan een vervelend en pijnlijk gevoel geven.
  2. Desinfecteer uw handen met handalcohol en trek niet-steriele handschoenen aan.
  3. Maak een steriel werkveld. 
  4. Open de katheterset of de aparte materialen.
  5. Laat de nieuwe katheter in de binnenverpakking op het steriele veld vallen. 
  6. Laat de instillagel op het werkveld vallen. 
  7. Vraag de patiënt de buik te ontbloten. 
  8. Bescherm het beddengoed met een onderlegger naast/onder de patiënt.
  9. Verwijder het fixatiemateriaal en de splitgazen. 
  10. Breng de 10 cc spuit in het lumen van het kanaal dat in verbinding staat met de ballon. 
  11. Leeg met een 10 cc spuit het ballonnetje van de oude katheter, de spuit vult zichzelf, er hoeft geen zuigkracht op uitgeoefend te worden. Gooi de spuit weg. 
  12. Klem de katheter af met een kocher, vlak bij het aansluitpunt met de katheteropvangzak.
  13. Trek voorzichtig aan de katheter om te kijken of deze los zit. 
  14. Verwijder de oude katheter in een vloeiende beweging in verticale richting en controleer de insteekopening en de urine in de urinezak. 
  15. Leeg eventueel de urinezak in een urinaal en verwijder de oude materialen eventueel met de handschoenen. Pas in dat geval handhygiëne toe en doe nieuwe niet-steriele handschoenen aan. 
  16. Reinig met de wattenbolletjes gedrenkt in leidingwater de insteekopening in de buikwand, reinig daarbij van het midden naar buiten met een streek per gaasje. 
  17. Spuit 5–10 cc instillagel voorzichtig in de insteekopening. 
  18. Laat de instillagel 5 minuten inwerken en pas ondertussen handhygiëne toe en trek steriele handschoenen aan. 
  19. Haal de nieuwe katheter uit de binnenverpakking en pak de katheter met de dominante hand vast in de pengreep 5 cm vanaf de kathetertip. 
  20. De katheteruitgang fixeert u tussen pink en ringvinger van de dominante hand, waarbij de katheter met een lus op de rug van deze hand ligt. 
  21. Breng de katheter verticaal in en voer op tot er urine komt. Als er geen urine komt, kan voorzichtig druk boven het schaambeen worden uitgeoefend. 
  22. Leg de katheteruitgang in het bekkentje en voer de katheter verder op, tot deze zeker in de blaas is. 
  23. Vul het ballonnetje met water of fysiologisch zout (op de katheter staat hoeveel water in de ballon moet, meestal 5–10 ml). Dit moet zonder weerstand mogelijk zijn. 
  24. Trek de katheter terug tot u enige weerstand voelt. 
  25. Plaats twee splitgazen (tegengesteld) rondom de fistelopening en fixeer deze op de buik. Zorg er met een tunnelpleister voor dat deze niet onder spanning staat of kan knikken.
  26. Sluit de katheter aan op de katheterzak. 
  27. Bevestig de urineopvangzak aan het been of het ophangrekje. 
  28. Ruim de materialen op en pas handhygiëne toe. 
  29. Informeer de patiënt en noteer in de status de verrichte handeling en eventuele instructies

Problemen bij uitvoeren
Het vervangen van de katheter bij een lege blaas kan pijnlijk zijn. Spuit daarom eerst 100cc NaCl in de blaas. Afsluiten van de katheter 1-2u voor vervanging kan zorgen voor spontane vulling van de blaas. Bij een defect van het ventielmechanisme wil de ballon niet leeglopen. Knip de slang dan bij de bifurcatie door en wacht tot het water er vanzelf uitstroomt. Verwijder de slang. Wanneer er geen water uitstroomt, consulteer de uroloog. 

 

Wetenschappelijk onderzoek

Infectiegevaar
Er is aangetoond dat ook bij eenmalige katheterisatie contaminatie van de blaas kan optreden. Bij een verblijfskatheter treedt daarna via de binnen- of buitenkant van de katheter verdere contaminatie op. Systemische antibiotica worden niet standaard geadviseerd bij katheterisatie. In een recente studie is gevonden dat minder urineweginfecties optreden bij reiniging van de meatus met chloorhexidine 0,1 % dan met reiniging met water..

Alternatieven voor urethrale katheterisatie 
In een aantal RCT’s is peri- en postoperatieve verblijfskatheterisatie onderzocht bij patiënten met gynaecologische of uitgebreide abdominale chirurgie. Bij patiënten met een urethrale verblijfskatheter bleek de kans op bacteriurie 2,5 × zo hoog, de kans opnieuw gekatheteriseerd te worden 4-maal zo hoog en de kans op ongemak 3-maal zo hoog als wanneer een suprapubische verblijfskatheter was ingebracht.