Always laugh when you can, it is cheap medicine.

Home » Kennis » Vaardigheden » Acute situaties

Acute situaties

Om een levensbedreigende toestand tijdig te herkennen wordt vaak een scorings- of alarmeringssysteem gebruikt. Een voorbeeld hiervan is de Modified Early Warning Score (MEWS). Deze werkt op basis van: bewustzijn, systolische bloeddruk, hartfrequentie, ademhalingsfrequentie en temperatuur. In andere versies wordt soms ook urineproductie en zuurstofsaturatie meegenomen. De MEWS (tabel 1) is vervolgens de som van alle bijpassende scores. Een score groter dan 2 moet leiden tot een actie en frequente controles van de patiënt.

Ademfrequentie
<9 2 punten
9-14 0 punten
15-20 1 punt
21-30  2 punten
>30  3 punten
Zuurstofsaturatie
<90 3 punten
Hartfrequentie
<40  2 punten
40-50 1 punt
51-100 0 punten
101-110 1 punt
111-130 2 punten
>130 3 punten
Systolische bloeddruk
<70 3 punten
70-80 2 punten
81-100 1 punt
101-200 0 punten
>200 2 punten
Temperatuur
<35,1 2 punten
35,1-36,5 1 punt
36,6-37,5 0 punten
>37,5 1 punt
Bewustzijn
Alert 0 punten
Reactie op aanspreken 1 punt
Reactie op pijnprikkel 2 punten
Geen reactie 3 punten
Urineproductie
<75 ml in 4 uur 1 punt
Verpleegkundige is ongerust over de conditie 1 punt

Tabel 1: de MEWS en de punten die toegekend worden.

 

ABCDE-methode

Deze methode wordt gebruikt bij acute levensbedreigende spoedgevallen. Het werkt volgens het principe van ‘treat first what kills first’. Je begint daarom met de luchtweg, ademhaling en circulatie. Te weinig zuurstofopname en/of zuurstoftoevoer naar weefsels kan namelijk in korte tijd overlijden van een patiënt tot gevolg hebben. Belangrijk hiervoor is dus een intacte ademhaling en een werkende bloedsomloop. Daarna komen andere mogelijk ernstige, levensbedreigende problemen: ernstige hypoglykemie, waar in D aandacht wordt besteed, en onderkoeling, wat in E wordt aangepakt. Bij ABCDE vindt het lichamelijk onderzoek en behandeling parallel plaats. Dat wil zeggen: als zich een probleem voordoet, wordt dit meteen behandeld. De anamnese wordt grotendeels naar achteren geschoven.

De ABCDE-methode is bedoeld voor vitaal bedreigde patiënten en niet voor patiënten met een al bestaande circulatiestilstand. Bij een circulatiestilstand moet zo snel mogelijk worden gereanimeerd zonder eerst de ABCDE-stappen te doorlopen.

Instrumenten en materialen
Verschillende instrumenten (figuur 1) die bij een eerste ABCDE-benadering en behandeling gebruikt kunnen worden: mayotubes, zuurstofmaskers en automatische externe defibrillators. Deze zijn vaak aanwezig in ‘crash carts’ in ziekenhuizen, ambulances, sommige huisartsenpraktijken of soms openbare ruimtes.

Figuur 1: verschillende instrumentaria zoals een mayo-tube, een non-rebreathing masker en een AED-machine.

Bron: 2020. PRAKTISCHE VAARDIGHEDEN. Amsterdam: BOHN STAFLEU VAN LOGHUM.


Spoedsituatie

  1. Eigen veiligheid en die van de patiënt waarborgen.
    Vooral buiten het ziekenhuis kunnen zich onveilige situaties voordoen, bijvoorbeeld in het verkeer, rook, vuur of elektriciteits- of chemische gevaren. Binnen het ziekenhuis kan gedacht worden aan metalen voorwerpen en apparatuur bij MRI-apparatuur, röntgenstraling en infectierisico’s. 
  2. Uitsluiten van circulatiestilstand of massaal uitwendig bloedverlies.
    Een circulatiestilstand wordt vastgesteld op basis van twee criteria: de patiënt reageert niet en de ademhaling is afwezig of niet normaal (gasping). Je controleert vóór de A van het ABCDE-schema dus nog het bewustzijn. Als de patiënt niet spontaan reageert, schud je voorzichtig aan de schouders van de patiënt en spreek je hem luid aan. Als de patiënt hier ook niet op reageert, gaat het om een kritieke toestand, waarbij uitsluiten van een circulatiestilstand erg belangrijk is. Om dit te beoordelen, maak je de luchtweg vrij door middel van de head tilt and chin lift-methode. Daarna controleer je of er een normale ademhaling aanwezig is.
    Afwezigheid van een normale ademhaling na het openen van de luchtweg is een teken van circulatiestilstandPolspalpatie is onbetrouwbaar om circulatiestilstand te beoordelen. Bij twijfel moet altijd begonnen worden met reanimeren. Reanimeren komt altijd vóór het ABCDE-schema, zodat er geen tijd verloren gaat. Zo snel mogelijk moeten hulpdiensten of een reanimatieteam ingeschakeld worden. Buiten het ziekenhuis bel je 112 en laat je een AED halen als het om een niet-reagerende patiënt gaat. In het ziekenhuis is gekwalificeerde hulp sneller beschikbaar en wordt dit ook direct ingeschakeld.
    Een massaal extern bloedverlies is vaak makkelijk te herkennen. De bloeding moet gestopt worden door directe druk, een drukverband of een tourniquet (figuur 2). Ernstig bloedverlies kan namelijk leiden tot ernstige shock.

 

Figuur 2: het stoppen van een bloeding.

Bron: Campagneposter voor Stop the bleed, save a life. Nederlandse Vereniging voor Traumachirurgie. Beschikbaar op: https://www.trauma.nl/omstanders-kunnen-levens-redden-na-aanslagGeraadpleegd op 23 oktober 2021


Tourniquet

Een tourniquet is een knelverband om een mogelijk levensbedreigende arteriële of soms veneuze bloeding aan een extremiteit te stoppen. Dit wordt gebruikt als de bloeding door uitwendige druk niet voldoende te controleren is. Dit wordt altijd proximaal van de wond aangelegd. Als de bloeding duidelijk te identificeren is, moet de tourniquet 5 tot 8 centimeter proximaal van de wond aangelegd worden, maar niet over een elleboog of knie. Als de wond niet goed te identificeren is, wordt de tourniquet zo hoog mogelijk aangelegd. Dus bij een wond aan de arm bij de axilla en aan het been bij de lies. Er bestaan trainingen om een tourniquet aan te leggen. Tevens bestaan er speciale tourniquets voor kinderen (SWAT TQ). Niet-professionele tourniquets leiden tot het gevaar van insnijden, een te gelokaliseerde druk en een risico op grote weefselschade. Een geïmproviseerde tourniquet dient enkel gebruikt te worden bij nood.  

Belangrijk bij het aanleggen:

  • Bij het aanleggen moet de eigen veiligheid en die van het team gewaarborgd blijven.
  • Als het boven de kleding geplaatst moet worden, moeten voorwerpen, zoals sleutels, uit de kleding verwijderd worden.
  • Een goed aangelegde tourniquet doet pijn. Dit komt door directe druk en door ischemie. Ook kunnen spontane bewegingen tot krampen van de extremiteit leiden.
  • Pijnstilling kan aan de patiënt gegeven worden vóór het aanleggen.
  • De Tourniquet moet regelmatig gecontroleerd worden en na elke verplaatsing van de patiënt. Als de wond opnieuw gaat bloeden, kan de tourniquet strakker aangedraaid worden. Als dit onvoldoende werkt, kan een tweede geplaatst worden, die bij voorkeur proximaal van de eerste tourniquet geplaatst wordt.
  • Ischemie door een tourniquet is minder belangrijk dan voorheen werd gedacht. Er zijn gevallen bekend waarbij een tourniquet gedurende 17 uur geplaatst is zonder permanente ischemieschade van de extremiteit.

Geen circulatiestilstand of massaal uitwendig bloedverlies?
Als een probleem wordt vastgesteld, wordt deze direct behandeld voordat doorgegaan wordt naar de volgende stap van het ABCDE-schema. De patiënt moet regelmatig opnieuw beoordeeld worden, met als doel het effect van een behandeling of klinische verslechtering op te merken. Als een acuut probleem niet direct opgelost kan worden, moet zo snel mogelijk gestart worden met de juiste symptomatische behandeling en moet de juiste specialist of spoed medisch interventieteam ingeschakeld worden.
In principe werkt de ABCDE-methode door te ‘kijken, luisteren en voelen’. Als het mogelijk is, wordt dit aangevuld door basale metingen en monitoring, zoals zuurstofsaturatie, bloeddruk, ECG en essentiële lab-waardes, met name glucose. 

A - airway (luchtweg)

  • Doel: is de luchtweg vrij?
    Vaak tonen de patiënten een afwijkende ademhaling. Dit kan een hoorbare ademhaling zijn, zoals stridor of snurkende ademhaling. Dit kan een paradoxale ademhaling zijn, waarbij de buik poogt te inspireren en daarbij intrekt. Als laatste kan dit apneu zijn.
  • Hoe: kijken en luisteren.
    Behandeling: head tilt and chin lift (figuur 3), trauma chin lift (figuur 3), obstructie wegnemen met een vinger of door weg te zuigen, hoge flow zuurstof, heimlichmanoeuvre of rugslagen.

Figuur 3: de trauma en head tilt and chin lift.

Bron: 2020. PRAKTISCHE VAARDIGHEDEN. Amsterdam: BOHN STAFLEU VAN LOGHUM.

 

Behandeling
Dit wordt verdeeld in twee groepen.

  1. Bewusteloze patiënten, met of zonder trauma: bewusteloosheid leidt tot verlies van spierspanning. Dit heeft als gevolg dat het zachte gehemelte, tong en epiglottis richting de achterste farynxwand verplaatsen, met name in rugligging. Dit kan een luchtwegobstructie geven. Mogelijke gevolgen daarvan zijn hypoxie en overlijden. Daarnaast kan aspiratie plaatsvinden door verlies van beschermende luchtwegreflexen als slikken en hoesten.
    De mondholte wordt geïnspecteerd op vreemde voorwerpen. Zichtbare voorwerpen moeten verwijderd worden. Braaksel, bloed of slijm kan verwijderd worden middels een zuiger of door de patiënt op de zij te draaien. Nooit moet blind een vinger in de mond gestoken worden, omdat een vreemd voorwerp verder in de keel geduwd kan worden of omdat het overgeven of aspiratie kan veroorzaken. De inspectie van de mondholte mag niet te veel tijd in beslag nemen. De luchtweg vrijmaken kan gedaan worden door middel van de ‘head tilt and chin lift’.
    Een bewusteloze traumapatiënt moet, tot het tegendeel bewezen is, behandeld worden alsof hij nekletsel heeft. Het hoofd kantelen is relatief gecontra-indiceerd. Dan doe je de trauma chin lift of de jaw thrust-methode. Deze methoden kunnen ook gebruikt worden als het hoofd kantelen en chin lift niet goed lukt.
    Na het vrijmaken van de luchtweg moet de ademhaling gecontroleerd worden. Als de ademhaling hoorbaar of paradoxaal was, moet dit weer terug normaal worden als de luchtweg daadwerkelijk vrijgemaakt is. Als een snurkende of paradoxale ademhaling blijft, is de luchtweg nog steeds geobstrueerd. Het hoofd moet dan dus in een andere houding gehouden worden of de luchtweg moet op een andere manier vrijgemaakt worden, mogelijk middels een mayotube of nasofaryngeale tube. Let op: bij een circulatiestilstand kan de patiënt gaspen, niet te verwarren met een snurkende of paradoxale ademhaling. Bij apneu kun je bepalen of de handeling effectief was door kunstmatige beademing.
  2. Patiënten bij bewustzijn met luchtwegobstructie of dreigende luchtwegobstructie:
    Patiënten bij bewustzijn met een stridor of die niet goed kunnen hoesten of praten, hebben waarschijnlijk een ernstige obstructie van de bovenste luchtweg.
    Zwelling met luchtwegobstructie vereist meteen behandeling. Afhankelijk van de oorzaak kan medicamenteus ingegrepen worden, zoals adrenaline intramusculair bij anafylaxie. Ook kunnen intubatie en spoedconiotomie gedaan worden door een luchtwegspecialist, bijvoorbeeld een anesthesioloog of KNO-arts. Bij elke patiënt met luchtwegobstructie, maar die wel nog enige eigen ademhaling heeft met luchtverplaatsing, wordt er zuurstof met hoge flow toegediend. Dit wordt gedaan om hypoxie te vermijden en tijd te winnen tot het luchtwegprobleem opgelost kan worden.
    Vaak ontstaat luchtwegobstructie door een corpus alienum (vreemd voorwerp) tijdens het eten of spelen. Het gebeurt plotseling en het wordt vaak door anderen gezien. Het is daarom gemakkelijk vast te stellen.
    Bij een niet effectieve hoest, laat je de patiënt naar voren leunen en sla je met de hiel van de hand maximaal vijf keer krachtig tussen de schouderbladen. Een niet-effectieve hoest is te herkennen aan hoestbewegingen zonder of met amper geluid. Als dit niet helpt, pas je vijf keer de heimlichmanoeuvre toe. Dit is om de intrathoracale druk van de patiënt plotseling te verhogen en zo de lucht uit de trachea te forceren, waardoor het vreemde voorwerp eruit komt. Als dit niet werkt, dan worden de vijf klappen op de rug en de heimlichmanoeuvre afwisselend gebruikt. Als de patiënt buiten bewustzijn raakt, dan worden de borstcompressies zoals bij reanimatie toegepast om de intrathoracale druk te verhogen.
    Als de luchtweg is vrijgemaakt door de heimlichmanoeuvre of borstcompressies, dan moet de patiënt later wel onderzocht worden op mogelijk intern letsel.
    Bijzondere aandacht moet er zijn voor:
    • Bij anafylactische reactie kan een zwelling ontwikkelen van faryngeale of laryngeale structuren. Hierdoor kan snel een luchtwegobstructie ontstaan.
    • Geïmmobiliseerde traumapatiënten kunnen hun hoofd niet goed draaien en daardoor is er meer kans op aspiratie bij overgeven of een vreemd voorwerp in de mond. Daarom moet aan deze patiënten gevraagd worden of hij een kunstgebit of vreemd voorwerp in de mond heeft en dit moet verwijderd worden. Daarnaast moet gevraagd worden of de patiënt misselijk is en hiervoor kunnen eventueel anti-emetica gegeven worden. De patiënt mag niet alleen gelaten worden, zodat bij braken meteen gehandeld kan worden door de patiënt op de zij te leggen of de mond uit te zeggen.

Handelingen

  • Head tilt and chin lift: Dit kan gebruikt worden om de luchtweg vrij te maken.
    Plaats één hand op het voorhoofd van de patiënt en één hand onder de kin. De kin komt hierdoor omhoog en het hoofd kantelt naar achteren. Het zachte verhemelte, de tong en de epiglottis worden zo van de achterste farynxwand weggetild.
    Bij zuigelingen kun je de luchtweg het beste vrijmaken door het hoofd in neutrale positie te houden. Het hoofd achterwaarts kantelen kan een luchtwegobstructie zelfs verergeren. Er dient ook geen compressie van het zachte weefsel onder de kin plaats te vinden, ook dit kan de luchtwegobstructie verergeren.
  • Trauma chin lift: de kin wordt opgetild zonder het hoofd te kantelen. Het liefst houdt een tweede hulpverlener het hoofd ook in neutrale positie. 
    Plaats de wijs- en middelvingers bilateraal achter de hoek van de onderkaak en de duimen op de kin. Oefen druk naar voren uit op de hoek van de onderkaak en duw de kin met de naar beneden om de mond te openen.
    Als de mond geobstrueerd blijft en als er geen hulpmiddelen beschikbaar zijn, kan tegelijkertijd het hoofd voorzichtig naar achteren gekanteld worden. Uiteindelijk is het handhaven van een enigszins vrije luchtweg belangrijker dan het beschermen van de ruggengraat. 
  • Heimlichmanoeuvre: de hulpverlener staat achter de patiënt, laat hem naar voren leunen, slaat beide armen om de patiënt en zet zijn vuist tussen de navel en ribbenkast. Dan pakt hij met de andere hand deze vuist en drukt krachtig en snel de hand in de buik en licht omhoog in de bovenbuik.
    Bij kinderen jonger dan 1 jaar wordt de heimlichmanoeuvre niet toegepast. In de plaats daarvan geef je vijf borstcompressies die iets krachtiger en langzamer zijn dan borstcompressies bij reanimatie. 

B - breathing (ademhaling)

  • Doel: ademt de patiënt?
  • Hoe: luister, voel en kijk. Auscultatie van de longen.
  • Behandeling: beademing en zuurstof
  1. Gedurende maximaal 10 seconden luister, voel en kijk je of de patiënt ademhaalt. Dit terwijl de luchtweg open wordt gehouden. Als de patiënt gaspt (trage, luidruchtige, zware en inefficiënte pogingen tot ademhaling), dan moet je meteen denken aan een circulatiestilstand. Dit komt voor bij 40% van de patiënten in de eerste minuten na een circulatiestilstand.
    Als er geen sufficiënte ademhaling is, maar er wél een eigen circulatie is, dan moet de patiënt vaak beademd worden. 
  2. Tekenen van dreigende respiratoire insufficiëntie: versnelde ademhaling (>25 /min) en centrale cyanose. 
  3. Auscultatie van de longen en het observeren en palperen van de thorax voor het beoordelen van excursiesymmetrie, subcutaan emfyseem of stuwing van de halsvenen. Deze dingen kunnen snel duidelijkheid over de ademhalingssituatie geven. 

In de eerste fase is het belangrijk om hypoxie te voorkomen. Een streefsaturatie van 94-98% wordt gehandhaafd. Bij patiënten met hypercapnisch respiratoir falen, bijvoorbeeld door chronische COPD, is de streefsaturatie 88-92%. Bij een lagere saturatie of als saturatiemeting niet beschikbaar is bij een patiënt met een ademhalingsprobleem, is het toedienen van zuurstof dus de eerste belangrijke stap. Afhankelijk van de ernst van de hypoxie kan een neusbril met 2-3 L per minuut voldoende zijn, maar vaak bij ernstige hypoxie of twijfel over ernst moet een zuurstofmasker en een zo groot mogelijke zuurstofstroom worden toegediend. Een zuurstofdebiet van minder dan 5L per minuut moet voorkomen worden, omdat dit een CO2-accumulatie onder het masker veroorzaakt. Idealiter wordt dan een non-rebreather masker met een zuurstofreservoir gebruikt. Deze maskers hebben eenrichtingsventielen voor in- en uitademen, zodat het lucht uit het zuurstofreservoir wordt ingeademd en uitgeademde lucht het masker verlaat naar buiten.

C - circulation (Circulatie)

  • Doel: is er circulatie?
  • Hoe: inspectie, palpatie, polsslag palperen, bloeddruk, capillary refill time en ECG.
  • Behandeling: reanimatie bij patiënten zonder circulatie, juiste positionering bij hypovolemische patiënten.

Patiënten zonder circulatie moeten gereanimeerd worden, waarbij goede borstcompressies en beademing van belang zijn. Het is zaak om zo snel mogelijk een defibrillator te halen en aan te sluiten. Defibrillatie moet direct worden gedaan als de patiënt een defibrilleerbaar ritme heeft. Een automatische externe defibrillator (AED) is vaak beschikbaar in winkelcentra of treinstations.

Handelingen

  • Gebruik van de defibrillator (AED)
    De defibrillator controleert het hartritme en kan defibrilleren. Een schokbaar hartritme is bijvoorbeeld ventriculaire fibrillatie of ventriculaire tachycardie. Hoe sneller hoe beter, want iedere minuut vertraging in defibrillatie en/of reanimatie kan de overlevingskans verminderen. Een AED kan gehaald worden op veel openbare plekken. Het toestel bevat eenvoudige afbeeldingen en audio-instructies. Tijdens het bevestigen van de twee zelfklevende elektrodes op de borst mogen de borstcompressies niet onderbroken worden. Eén elektrode wordt onder het rechtersleutelbeen geplakt en de andere elektrode wordt midaxillair aan de linkerkant dichtbij de apex geplakt. De AED analyseert het hartritme en geeft aan of een schok moet worden toegediend. Sommige AED’s passen automatisch de schok toe, bij sommigen moet de gebruiker op een knop drukken. Tijdens het toedienen van de schok mag niemand de patiënt aanraken. Na het toedienen van de schok, moeten de borstcompressies meteen hervat worden. Na 2 minuten worden de circulatie en het hartritme van de patiënt weer gecontroleerd.
    In het ziekenhuis zijn ook manuele defibrillatoren beschikbaar. Het belangrijkste verschil is dat de manuele defibrillator niet zelfstandig het hartritme analyseert. De defibrillatie-energie moet zelf gekozen worden. (150 tot 200 joule bifasisch bij een eerste schok en maximale energie bij volgende schokken). De defibrillator moet zelf opgeladen worden en de arts moet zelf beoordelen of er een schokbaar ritme is en daarna de schok zo nodig manueel toedienen.
  • Bij patiënten die wel ademen, kunnen palpatie van de polsslag (frequentie, ritme, intensiteit), inspectie en palpatie van de extremiteiten, metingen van de bloeddruk en de capillaire vullingstijd een eerste indruk geven van de circulatiesituatie. Tevens wordt een drie afleidingen-ECG gemaakt om het hartritme te beoordelen en te monitoren.
  • Basisstappen die ondernomen kunnen worden: de juiste positionering van de patiënt bijvoorbeeld een shockpositie (positie van Trendelenburg) voor hypovolemische patiënten of juist opgericht bovenlichaam voor patiënten met decompensatio cordis
  • Bij patiënten met een circulatieprobleem zonder hypoxie hoeft géén zuurstof toegediend te worden.

D - disability (Bewustzijn en neurologie)

  • Doel: is de patiënt bij bewustzijn? Heeft de patiënt stoornissen in glucose?
  • Hoe: AVPU-score, Glasgow Coma Scale en glucosemeting.
  • Behandeling: veel oorzaken mogelijk en elk vereist een andere behandeling.

Een gestoord bewustzijn kan een teken zijn van acuut levensgevaar. Dit kan het gevolg, maar ook de oorzaak van problemen in A, B of C zijn. De pupilstatus (grootte, symmetrie en reactiviteit) en het vaststellen van verschillen in motoriek tussen de linker- en rechterkant kunnen helpen bij een differentiaal diagnose vaststellen.

Een initiële inschatting van het bewustzijn is al gebeurd vóór de controle van de luchtweg. De AVPU-score wordt gebruikt. Een andere mogelijkheid is de Glasgowcomaschaal, welke meer nauwkeurige informatie geeft dan de AVPU. Als alleen op een pijnprikkel of als er niet reageert wordt, is het belangrijk om acuut levensbedreigende onderliggende problemen snel op te sporen.

Daarnaast dient bloedglucosewaarden gemeten te worden voor het uitsluiten van een hypoglykemie. Bovendien moet er gedacht worden aan intoxicatie met bijvoorbeeld slaapmiddelen of opioïden. Andere vaak voorkomende oorzaken zijn: ernstige hypoxie, hypercapnie of cerebrale hypoperfusie. Ook kunnen andere metabole afwijkingen (diabetische keto-acidose of verhoogd ammonium bij leverfalen) of primair neurologische aandoeningen (ischemisch CVA of hersenbloeding) leiden tot een verlaagd bewustzijn. 

Elk van deze oorzaken heeft een andere behandeling nodig. Vaak is er ook nog aanvullend onderzoek nodig.
Een bewusteloze patiënt heeft een bedreigde luchtweg en een verhoogde kans op aspiratie.

Centrale demping van het ademhalingscentrum of hemodynamische afwijkingen kunnen behoren tot mogelijkheden (bijvoorbeeld hypertensie en bradycardie bij Cushingreflex, aritmie bij subarachnoïdale bloeding). Daarom dienen deze patiënten gemonitord en regelmatig herbeoordeeld te worden.

Neurotrauma is niet de enige mogelijke oorzaak van bewustzijnsproblemen bij traumapatiënten. Een hoge dwarslaesie kan ook leiden tot ernstige respiratoire of hemodynamische problemen. Denk bijvoorbeeld aan uitval van het diafragma of uitval van sympathische vaat- of hartinnervatie. Bij traumapatiënten zonder bewustzijn moet men altijd van mogelijk letsel van de wervelkolom en dwarslaesie uitgaan tot het tegendeel bewezen is. Bij patiënten bij bewustzijn kan middels neurologisch onderzoek het niveau van de dwarslaesie worden vastgesteld.

E - environmental control and exposure (Temperatuur en ontbloten)

  • Doel: ernstige problemen opsporen, die niet in de A,B, C of D aan bod zijn gekomen.
    Andere letsels condities of letsels vinden, die niet per se acuut levensbedreigend zijn.
    Informatie over de patiënt inwinnen. Diagnostiek beoordelen. Plan bedenken voor vervolg.
  • Hoe: patiënt ontbloten, volledig lichamelijk onderzoek, lichaamstemperatuur meten.
  • Behandeling: patiënt warm houden, afhankelijk van oorzaak.

Voor een verder volledig onderzoek moet de patiënt ontbloot worden. De lichaamstemperatuur wordt eerst gemeten. Tevens moeten maatregelen genomen worden, zodat de patiënt niet afkoelt. Het doel van dit gedeelte is het opsporen van ernstige problemen die nog niet in de A, B, C of D zijn gevonden en om bij lichamelijk onderzoek aanwijzingen te vinden die mogelijke problemen in de A, B, C of D kunnen verklaren. Dit kan helpen bij het optimaliseren van de therapie.

Tijdens deze stap kunnen ook condities of letsels gediagnosticeerd en behandeld worden, die niet acuut levensbedreigend zijn, maar die wel verdere diagnostiek en/of behandeling vereisen. Ook kun je in deze stap informatie over de patiënt verzamelen, je kunt uitslagen van eerder ingezette diagnostiek beoordelen en plannen maken hoe, waar en door wie de patiënt behandeld moet worden. 

Het ABCDE-schema dient regelmatig herhaald te worden om de patiënt te herbeoordelen. Ook bij verslechtering begin je het ABCDE-schema opnieuw.

 

Bronnenlijst

  1. Campagneposter voor Stop the bleed, save a life. Nederlandse Vereniging voor Traumachirurgie. Beschikbaar op: https://www.trauma.nl/omstanders-kunnen-levens-redden-na-aanslagGeraadpleegd op 23 oktober 2021
  2. ABCDE-kaart voor huisartsen. Nederlands Huisartsen Genootschap. Beschikbaar op: https://www.nhg.org/themas/publicaties/herziene-abcde-kaart-voor-huisartsen-onderbouwing-en-implementatie Geraadpleegd op 27 oktober 2021