Voor 23:59 besteld = binnen 24 uur verzonden*!

Home » Kennis » Lichamelijk onderzoek » Oogheelkundig onderzoek

Oogheelkundig onderzoek

Het oog (figuur 1) kent een diepere anatomie dan we eigenlijk kunnen zien. Hetgeen wat je ziet is eigenlijk minimaal en hierom wordt het oogheelkundig onderzoek uitgevoerd. Met het onderzoek kan je indruk krijgen van de dieper gelegen structuren. Let op de benamingen:

  • Harde oogrok: sclera
  • Vaatvlies: choroidea
  • Netvlies: retina
  • Hoornvlies: cornea
  • Oogzenuw: nervus optica

Figuur 1: anatomie van het oog.

Bron: Natuurlijkzien.nl. 2021. Anatomie van het oog | Natuurlijk Zien. [online] Available at: <https://www.natuurlijkzien.nl/anatomie-van-het-oog> [Accessed 23 April 2021].


Verder kent het oog natuurlijk de oogleden aan de buitenkant die het oog beschermt, de traanklieren die de ogen vochtig houden en de klieren van Meibom die vet produceren. Het onderzoek wordt eerst uitgevoerd in de gezonde of niet-aangedane oog en dan het aangedane oog. Indien er hier geen sprake van is, wordt eerst het rechter oog (OD: oculus dexter) en dan het linker oog (OS: oculus sinister) beoordeeld, waarna beiderzijds (ODS). Het onderzoek kent verschillende onderdelen.

 

Inspectie
Start met het inspecteren van het oog. Wat zie je? Let op de volgende punten:

  • Huid, lidspleet en oogleden
  • Breedte lidspleet rechts en links 
  • Positie wimpers: entropion, ectropion
  • Conjunctiva, sclera
  • Conjunctiva onderste fornix, traanpunt
  • Cornea, voorste oogkamer
  • Conjunctiva bovenste fornix
    • Conjunctiva
    • Tarsale plaat

 

Visus
Ook wel de gezichtsscherpte weerspiegelt de functie van de fovea: het punt waar het beeld het scherpst is. Dit onderzoek is pas te doen na het 4e levensjaar, wanneer de ontwikkeling ervan compleet is. Om het onderzoek uit te voeren maak je gebruk van een visuskaart. Er zijn verschillende kaarten:

  • Kinderen: plaatjeskaart
  • Volwassenen: Snellenkaart
  • Analfabeten: E-hakenkaart

De kaart wordt op een afstand van minimaal 5 meter geplaatst zodat het oog niet accommodeert. De patiënt gaat vervolgens van groot naar klein werken om te kijken welk rij die nog kan lezen voor minimaal 2/3e. Om vervolgens de visus te beoordelen, maakt men gebruik van visus (V) = d / D; V kent geen eenheid. Hierbij wordt de afstand tot de kaart gebruikt als d (5m), en het getal die achter de rij staat als D. D. D is het cijfer wat een 'normaal oog' nog zou kunnen zien. Normaliter is V = 1, maar dit kan hoger of lager zijn. Hoger kan uitvallen in gevallen wanneer patiënten een beter dan gemiddeld oog hebben en lager wanneer het minder is dan een gemiddeld oog. Wanneer het grootste getal niet gelezen kan worden, gaan we naar de volgende stappen:

  1. D = 60m. Op een afstand van 60m kan een normaal oog vingers nog zien. Hierom plaats je je hand tegen een wit vlak en steek je een aantal vingers op. Als dit te lezen is, is de visus: V = 5/60.
  2. D = 300m. op een afstand van 300m kan een normaal oog iemand zien zwaaien. Hierom ga je op dezelfde afstand zwaaien met je arm. Als dit te zien is, is de visus: V = 5/300. Indien ook dit niet lukt, kan nagegaan worden of patiënt onderscheid kan maken tussen licht en donker.

Na het onderzoek kan het herhaald worden met een stenopeïsche opening. Dit is een schijf met een gaatje in het midden. Indien de visus beter wordt, spreekt men van een refractie-afwijking of vertroebeling. Om het nabij zien te beoordelen wordt gebruik gemaakt van een leeskaart.


  • Conjunctiva
  • Tarsale plaat

Gezichtsvelden
Voor de beoordeling van de gezichtsvelden wordt onderscheid gemaakt in het centrale en het perifere gezichtsveld.

Centraal gezichtsveld
Dit onderzoek wordt beoordeeld middels een Amsler grid kaart, waarmee aandoeningen zoals maculadegeneratie kunnen worden opgespoord. De patiënt kijkt strak naar het midden van het kaart en beschrijft wat die ziet. Hierbij kan je ondersteunen door te vragen naar:

  • De rechtheid van lijnen
  • Onderbrekingen in lijnen
  • Zwarte vlekken.

Let erop dat de kaart door patiënt zelf wordt vastgehouden op leesafstand. Ook hier kan je zien of de patiënt moeite heeft. Je beoordeelt verder per oog en met correctie van eventuele brillen, lenzen of een leesbril.


Figuur 2: Amsler-gridkaart.

Bron: Commons.wikimedia.org. 2021. File:AmslerGrid black bg.svg. Available at: www.commons.wikimedia.org

Perifeer gezichtsveld
Met dit onderzoek beoordeel je de 4 kwadranten van het perifeer gezichtsveld. Zit recht tegenover de patiënt waarbij je gespiegeld beide ogen bedekt: dit houdt in dat als de patiënt het linkeroog bedekt, jij het rechteroog en vice versa. Je kijkt elkaar aan en plaatst je hand in een vlak tussen de patiënt en jou in op een uiterste afstand van een gestrekte arm. De patiënt geeft vervolgens aan wanneer die de handen ziet bewegen. Wordt dit niet gezien, dan plaats je de handen een stap meer mediaal en beweeg je weer je vingers maar behoud je de gelijke afstand tussen jou en patiënt. Op deze manier beoordeel je elk kwadrant waarbij je start linksboven en onder en rechtsboven en -onder.
Let erop dat ook hier patiënt de correctie ophoudt, waarbij rekening moet gehouden worden met het montuur. Daarnaast wordt geacht dat de onderzoeker een normale visus en gezichtsvelds beoordeling heeft.

 

Oogstand en oogbewegingen
Het oog wordt bewogen door de n. oculomotorius (III), n. trochlearis (IV) en de n. abducens (VI).

Oogstand
De oogstand wordt beoordeelt door met een lichtje te schijnen op 30cm afstand en te beoordelen of de reflectiebeeldjes symmetrisch in de pupillen te zien zijn. Dit wordt ook wel de test van Hirschsprung genoemd.

Oogvolgbewegingen
Nu kan je het lampje, of je vingers, gaan bewegen en beoordelen hoe de ogen meegaan. Let erop dat de nek en het hoofd stil worden gehouden. Je kan de bewegingen uitvoeren in de vorm van de Britse vlag. Probeer niet te snel te bewegen omdat er anders fysiologisch een optokinetische nystagmus kan ontstaan. Verder is het belangrijk om op het uiterste punt (45 graden van patiënt's gezicht) een moment je bron stil te houden en te beoordelen of er een nystagmus is. Laat de patiënt het aangeven wanneer er dubbelbeelden optreden.
Om het convergeren (kijken naar het puntje van de neus) te beoordelen wordt weer op een afstand met een lampje geschenen. De patiënt focust hierop waarna het lampje dicht bij het gezicht van de patiënt wordt gebracht. Hiermee kan beoordeeld worden of en hoe de ogen convergeren.

 

Pupillen
De pupillen worden beoordeeld op grootte, vorm en reacties. Wanneer ze even groot zijn spreekt men van isocore pupillen. De vorm is rond. 20% heeft een fysiologische anisocorie van 1 millimeter. Bij de pupilreactie zijn 2 zenuwen betrokken: de n. opticus (afferent & sympathicus) en de n. oculomotorius (efferent & parasympathicus).
Om de pupilreacties te beoordelen staart de patiënt in de verte waarbij je je hand als tussenschot gebruikt. Je beschijnt 1 oog en beoordeelt de directe pupilreactie in dat oog en de indirecte pupilreactie in het andere oog. Dit herhaal je na een paar tellen voor het andere oog.

 

Oog(bol)druk
Dit is de druk die in de inwendige oog heerst. Normaliter is dit 10-21 mmHg. De druk is van essentieel belang omdat het zorgt voor een gelijkblijvende afstand tussen het hoornvlies, de lens en het netvlies van het oog, alsook voor een gelijkmatige oriëntatie van de lichtreceptoren op het netvlies. De gouden standaard is meting met een applanatietonometrie. De puff-tonormeter is een meting middels een lucht pufje. Wanneer de druk verhoogd is, kan dit wijzen op een glaucoom.

 

Verwijde pupil
Wanneer de pupil verwijd is (mydriasis) is het makkelijker om de fundus en media te beoordelen. Verwijding van de pupil wordt verkregen middels picamide 0,5 of 1% (parasympathicolyticum) met een inwerkingstijd van een kwartier. Additioneel kan fenylefrine 2,5% (sympathicomimeticum) worden gegeven, waardoor nog meer mydriasis wordt gecreëerd. Dit zorgt een aantal uur voor wazig zicht. Wanneer vertroebeling wordt bemerkt, spreekt men van cataract (staar).

 

Fundoscopie
Tot slot kan een onderzoek worden uitgevoerd genaamd fundoscopie waarbij er met een lichtje en een spiegel in het oog wordt gekeken. De patiënt fixeert de pupillen in de verte waarna er met een oftalmoscoop in het oog wordt gekeken. Beoordeel vervolgens:

  • De cornea
  • De voorste oogkamer
  • De lens
  • Het glasvocht
  • Het netvlies
  • De papil

De fundus geeft normaal een rode reflex af. Indien de media niet geheel schoon is, kan deze reflex verstoord zijn. Wanneer de pati:ent op-en-neer kijkt kan vertroebelingen (mouches volantes) worden beoordeeld.