Algemeen lichamelijk onderzoek

Het algemeen onderzoek bestaat uit:

  1. Indruk
  2. Parameters
  3. Hoofd/hals-gebied
  4. Hart
  5. Longen
  6. Buik
  7. Liezen en genitalia
  8. Extremiteiten en circulatie

Dit onderzoek wordt ook wel eens het inerne of chirurgisch onderzoek genoemd en beoordeelt de patiënt van top tot teen. Ook hier is het relevant om wel goed onderscheid te maken waarom een handeling of onderzoek van belang is.

 

Indruk
Wanneer je de patiënt ophaalt in de spreekkamer of ziet liggen op de zaal begint de indruk van de patiënt, beter gezegd je eerste indruk. Hierbij let je op verschillende aspecten, zoals de toestand van de patiënt, de bewustzijn, de kalender- en biologisch leeftijd maar misschien belangrijker: hoe ziek is de patiënt? Voornaamste onderscheid hierin is het beoordelen van een acute situatie.

 

Parameters
Om de toestand van een patiënt te bepalen kan je kijken naar vitale parameters. Dit kan je iets zeggen over de toestand van de patiënt:

  • De bloeddruk
  • De pols
  • De ademhalingsfrequentie
  • De temperatuur
  • Gewicht en lengte
    • Op basis hiervan kan je een BMI berekenen

 

Hoofd/hals-gebied
Het onderzoek van het hoofd wordt geleid door inspectie. Hierbij wordt gelet op:

  • Algemene inspectie
    • Huid 
      • Kleur
      • Pigmentaties
      • Littekens
      • Venetekeningen
    • Hals
      • Stand larynx
      • Stand trachea
      • Bouw en vorm van de hals
        • Beoordeel vooral symmetrie en atrofie
      • Schildklier
      • Zwellingen
  • Hoofd- en eventuele baardbeharing
  • Ogen
    • Stand
    • Kleur sclerae en conjunctivae
    • Pupillen
  • Stand oren
  • Mondholte
    • Lippen, wangslijmvlies
    • Tandvlees en tanden
    • Tong, mondbodem
    • Gehemelte
  • Keelholte
    • Farynxbogen, in rust en bij aanspannen (a(symmetrie beweging))
    • Stand uvula
    • Tonsillen
    • Achterwand orofarynx

Tot slot kunnen verschillende structuren gepalpeerd worden:

  • Mondholte
    • Lippen en wangslijmvlies
    • Tandvlees en tanden
    • Tong, mondbodem en gehemelte
  • Keel
    • Larynx: cartilago thyroidea, os hyoideum, cartilago cricoidea en ligamentum cricothyroideum 
    • Trachea en trachearingen
    • Schildklier
      • Je kan de patiënt vragen om een slikbewegingen te maken. Hierbij voel je de schildklier bewegen.
    • Speekselklieren: glandula submandibularis en glandula parotidea
  • Lymfeklieren (figuur 1)
    • Hoofd/hals
      • Niveau I: submentaal, submandibulair
      • Niveau II: hoogjugulair/subdigastrisch
      • Niveau III: midjugulair
      • Niveau IV: laagjugulair
      • Niveau V: supraclaviculair, dorsaal van sternocleidomastoïdeus
      • Niveau VI: paratracheaalKeel/hals
    • Overige lymfeklieren
      • Pre- en retro-auriculair
      • Occipitaal

Voor de bepaling van de m. sternocleidomastoideus (m. SCM) kan je de patiënt vragen het hoofd tegen jouw hand te drukken. Hierdoor kan je de m. SCM goed zien. Probeer bij de palpatie goed met platte vingers en roterende bewegingen te palperen. Hierdoor mis je zo min mogelijk en bestrijk je het grootste oppervlak.

Figuur 1: niveau's van lymfeklieren in de hals.

 

Hart
Het hart bevindt zich iets lateraal van de mediaanlijn, links van de thorax. Tijdens het lichamelijk onderzoek kan je een inschatting maken van het functioneren van het hart. Het beoordelen van de ictus cordis (hartstoot) wordt in de praktijk bijna niet meer gedaan. Het onderzoek kent 2 verschillende delen:

  1. Inspectie
    • Thoraxvorm en littekens
    • Dyspneu
    • Cyanose
    • Trommelstokvingers en horlogeglasnagels (clubbing fingers)
  2. Auscultatie
    Hierbij let je vooral op de frequentie en het ritme. Probeer goed onderscheid te maken tussen de hartkloppingen (lub dub; S1 (atrioventriculaire kleppen) en S2 (aorta- en pulmonaliskleppen)) en geruis van het hart (souffles of murmurs). De locaties van de hartkleppen zijn: 2e ICR rechts aortaklep, 3e ICR links pulmonalisklep, 4e ICR links tricuspidalisklep en 5e ICR links mitralisklep.
    • Luister bij een patiënt in rugligging op alle locaties met het membraan: 
      • 2e ICR rechts en links parasternaal
      • 3e ICR links parasternaal
      • 4e ICR links parasternaal
      • 4e/5e ICR links parasternaal
      • Apex
      • Luister bij een patiënt in rugligging met de kelk:
        • 4e/5e ICR links parasternaal
        • Apex cordis 
      • Luister bij een patiënt in linker zijligging met het membraan en de kelk:
        • Apex cordis
      • Luister bij een zittende patiënt met het membraan en de kelk:
        • 2e ICR rechts parasternaal
        • 4e ICR links parasternaal
      • Beoordelen souffles:
        • 1/6: alleen te horen wanneer men zeer goed luistert
        • 2/6: duidelijk te horen met stethoscoop maar niet palpabel
        • 3/6: duidelijk te horen met stethoscoop en palpabel
        • 4/6: luid te horen met stethoscoop en de trillingen worden gepalpeerd in de pols
        • 5/6: zeer luid te horen met stethoscoop en de trillingen zijn sterk
        • 6/6: zeer luid te horen zonder stethoscoop

     

    Longen
    De longen worden getest en beoordeeld op 4 verschillende manieren:

    1.  Inspectie
      • Beoordeling ademhaling
      • Thoraxvorm
      • Dyspneu
      • Intrekkingen of neusvleugelen
      • Venetekingen op de borst
    2. Palpatie
      • Symmetrie in ademhalingsbewegingen
      • Lymfeklieren in de hals
      • Trachea
    3. Percussie
      • Longvelden dorsaal en ventraal
      • Long-levergrens
      • Vergelijkende percussie op tympanie
    4. Auscultatie
      • Dorsaal en ventraal van craniaal naar caudaal op 3 verschillende locaties links en rechts. Hierbij let je op het ademgeruis, als dit normaal is zonder buigeluiden, spreekt men van vesiculair ademgeruis (VAG). Vooral belangrijk is het verschil tussen links en rechts, en craniaal en caudaal. Vocht hoopt zich namelijk op onder in de longen, waar crepitaties goed te horen zijn. Pathologische geluiden zijn:
        • Wheezing: piepende ademhaling
        • Pleurawrijven
        • Rhonchi: brommen
        • Crepitaties: crackles