Normaalwaarden

Let op referentiewaarden zijn afhankelijk van de gebruikte methoden in het laboratorium van het ziekenhuis. Check daarom altijd de bijbehorende referentiewaarden van het ziekenhuis waarin je een coschap loopt. Hier vind je de volgende parameters:

  • Ontstekingswaarden
  • Hematologie
  • Nierfunctie
  • Elektrolyten
  • Metabool
  • Het 'leverintegraal'
  • Cardiaal

 

Ontstekingswaarden
BSE 
Bezinkingssnelheid van erytroycten (BSE) is een waarde voor de snelheid waarmee erytrocyten in een staand buisje zakken. De waarde wordt uitgedrukt in mm/uur. De waarde is afhankelijk van leeftijd en geslacht.

Leeftijd Mannen Vrouwen
<50 jaar <15 mm/uur <20 mm/uur
>50 jaar <20 mm/uur < 30 mm/uur

BSE is een indirecte maat om de ernst van ontstekingsprocessen te meten en wordt daarnaast ook veel gebruikt om verloop van aandoeningen te monitoren (zoals bijvoorbeeld bij arteriitis temporalis). Een verhoogd BSE kan ontstaan door immunologische, infectieuze, ischemische, traumatische en maligne processen. Tijdens deze processen verandert de samenstelling van het bloed. Immunoglobulinen (IgM) en met name fibrinogeen zorgen dat de erytrocyten samen kleven en dus zwaarder worden. Hierdoor zullen ze dan sneller zakken. Stijging van de BSE begint meestal pas na een paar dagen en neemt ook pas weer af nadat het proces al is gestopt. Een normale BSE sluit acute en chronische inflammatoire processen zo goed als uit. 

  • Een licht verhoogd BSE bij vrouwen kan voorkomen rond de menstruatie en tijdens een zwangerschap.
  • Een sterk verhoogd BSE (>100 mm/usur) is verdacht voor hematologische maligniteiten, zoals multipel myeloom. 

De BSE kan ook verlaagd zijn, dit komt voor wanneer de BSE bijvoorbeeld normaal of laag normaal is, terwijl op grond van het klinisch beeld je een verhoogd BSE zou verwachten. Dit kan voorkomen in het kader van onder andere polycythaemie (verhoogd aantal eytrocyten), hemoglobinopathieën, anemie, alcohol gebruik en medicatie (NSAID’s). 
Daarnaast zou zowel een verhoogd als verlaagd BSE natuurlijk ook een foutieve meting kunnen zijn, als de meetcondities niet optimaal zijn. Zo wordt de meting onder andere beïnvloedt door temperatuur en de hoek waarin het buisje gehouden wordt.

CRP
Het C-reactive protein is een acuut fase eiwit dat vrij snel (binnen 6-8 uur) en exclusief door de lever wordt geproduceerd. Het is een directe maat om de ernst van ontstekingsprocessen te meten. Daarnaast kun je ook vrij snel meten of de therapie werkt, omdat het CRP ook weer relatief snel (na 9-12 uur) daalt. Wanneer het CRP na het starten van therapie bijvoorbeeld hoog blijft, duidt dit op een onjuist (ingestelde) therapie of als het CRP weer omhoog gaat op bijvoorbeeld nieuwe weefselschade. CRP speelt met name een rol bij niet-specifieke immuunreacties en zorgt voor activatie van het complementsysteem en productie van pro-inflammatoire cytokinen. Daarnaast heeft CRP een anti-inflammatoire rol. Het CRP wordt uitgedrukt in mg/L. en de referentiewaarde is gelijk voor mannen en vrouwen: <10 mg/L. Een verhoogd CRP duidt op een onstekingsproces. Met name bij bacteriële infecties wordt een sterke stijging van het CRP (>100mg/L) gezien.

Correlatie BSE en CRP
Zowel het BSE als CRP zijn geen specifieke markers. Er is dus altijd ander aanvullend onderzoek nodig om de oorzaak te achter halen. Ook het klinisch beeld is van belang voor de uiteindelijke diagnose. Een verhoogd BSE met een normaal CRP sluit een infectie niet uit en vice versa. Bij acute onstekingsprocessen zal het CRP eerder verhoogd zijn dan het BSE. Bij een lang bestaande infectie zullen zowel de BSE als het CRP verhoogd zijn. Een nadeel van het BSE is dat het van meer factoren afhankelijk is en een indirecte en relatief “trage” maat is voor ontstekingsactiviteit. Over het algemeen wordt daarom het CRP vervolgd bij inflammatoire aandoeningen. Bij enkele aandoeningen, zoals SLE wordt juist het BSE gebruikt.

 

Hematologie
Hemoglobine
Hemoglobine, ofwel Hb, geeft de rode kleur aan erytrocyten. Het Hb-molecuul bestaat uit 4 globulineketens met in iedere globuline keten een heemgroep dat zuurstof kan binden. Meestal wordt het Hb gebruikt om een anemie aan te tonen of uit te sluiten. Hieronder de referentiewaarden voor mannen en vrouwen op basis van een uitkomst in mmol/L.

Mannen 8.5 – 11 mmol/L
Vrouwen 7.5 – 10 mmol/L

Hb is geen specifieke parameter. Het kan wel aantonen dat er een anemie is, maar het zegt niets over de onderliggende oorzaak. Daarom is er altijd extra aanvullend onderzoek nodig.

Hematocriet
Het hematocriet, ofwel Ht, is een maat voor de hoeveelheid intacte erytrocyten in verhouding met de rest van het bloed. Een Ht van 0.45 komt overeen met 45mL erytrocyten in 100mL bloed. De referentiewaarden zijn verschillend voor mannen en vrouwen.

Mannen 0.41-0.51 L/L
Vrouwen 0.36-0.47 L/L

Het hematocriet an verhoogd zijn door dezelfde oorzaken als bij een verhoogd Hb, zoals polycythaemie. De meest voorkomende oorzaak voor een verhoogd hematocriet is dehydratie. Een verlaagd hematocriet komt o.a. voor bij anemie, hematologische aandoeningen en vitamine en mineralen deficiënties.

Haptoglobine
Haptoglobine (normaal: 0.3-3.0 g/L) is een acute fase eiwit dat door de lever wordt geproduceerd en is betrokken bij de afbraak van erytrocyten. Haptoglobine bindt aan hemoglobine en het haptoglobine-hemogolobine complex gaat naar de lever. Het haptoglobine wordt bepaald om inzicht te krijgen in de oorzaak van anemie, met name om hemolyse aan te tonen/ uit te sluiten. Een verhoogd haptoglobine heeft weinig klinische betekenis. Het haptoglobine kan samen met andere acute fase eiwitten verhoogd zijn tijdens inflammatoire processen. Een verlaagd haptoglobine duidt meestal op hemolyse. Het gebruik van haptoglobine is dan sneller dan de aanmaak. Een andere oorzaak voor een verlaagd haptoglobine is een verstoorde aanmaak van dit eiwit.

MCV
Het MCV staat voor ‘mean corpuscular volume’ en het is een paramater die vooral wordt gebruikt om anemie te classificeren. De referentiewaarde voor het MCV is gelijk voor mannen en vrouwen: 80-96 fL. Grofweg verdelen we de anemie op basis van MCV in: 

  • Microcytair (laag MCV): ijzergebreksanemie, thalassemie, chronische ziekte, sideroblastaire anemie
  • Normocytair (normaal MCV): acute bloeding, leverinsufficiëntie, chronische ziekten, chronische nierziekten, hemolytische ziekten, endocriene ziekten, auto-immuun reumatische aandoeningen en beenmerginfiltratie/ - fibrose. 
  • Macrocytair (hoog MCV): Een vitamine B12- of foliumzuur deficiëntie gaat gepaard met een hoog MCV en megaloblastaire cellen. Normoblastaire macrocytaire anemie heeft o.a. als oorzaken: alcoholgebruik, hemolyse, bloeding, leverziekten, hypothyreoïdie of medicamenteus.

MCH, MCHC en RDW 
MCH
MCH staat voor 'mean corpuscular hemoglobin', het zegt iets over de hoeveelheid zuurstof vervoerend Hb in erytrocyten. Als het MCV laag is, dan is he MCH ook laag. De referentiewaarde voor MCH zijn gelijk voor mannen en vrouwen: <27 pg.

MCHC
MHCH staat voor 'mean corpuscular hemoglobin concentration', ofwel de concentratie hemoglobine in erytrocyten. Het zegt iets over de kleur van de erytrocyten en wordt ook gebruikt bij het classificeren van anemieën. De referentiewaarde is gelijk voor mannen en vrouwen: 320-360 g/L. In het kort, is de klinische betekenis van MCHC als volgt:

  • Hypochrome anemie: Komt voor bij chronisch bloedverlies, chronische inflammatie, ferriprieve anemie.
  • Normochrome anemie: Komt voor bij bloedverlies, chronische nierontsteking, loodvergiftiging, chronische beenmergziekten.
  • Hyperchrome anemie: Komt voor bij sferocytose, vitamine B12 – of foliumzuurdeficiëntie.

RDW
RDW staat voor 'relative destribution width' en zegt iets over de variatie in grootte van erytrocyten. Bij veel anemieën is er een grote variatie in grootte van de erytrocyten. Bij een ferriprieve anemie is de RDW vaak als eerst gestoord. Daarbuiten is er weinig klinische relevantie. De normale waarde is gelijk bij mannen en vrouwen: 11-15%.

Trombocyten
Trombocyten, trombo's of bloedplaatjes, spelen een belangrijke rol bij de stolling, ze plakken aan de beschadigde vaatwand en aan elkaar. Bloedplaatjes worden gemaakt in het beenmerg. Het trombocytengetal kan van belang zijn om bepaalde ernstige aandoeningen te diagnosticeren. Meer over deze aandoeningen kun je terugvinden in de pagina’s over trombocytose en trombocytopenie. Referentiewaarden voor het trombocyten getal zijn: 150.000-400.000/mm^3.
In het kort: Bij een verlaagd trombocytengetal is er sprake van trombocytopenie. Dit kan onder andere door verminderde aanmaak zoals bij bepaalde beenmergziekten, of door verhoogd verbruik zoals bij bloedingen. Een verhoogd trombocytengetal heet ook wel trombocytose, dit ontstaat bij een verhoogde aanmaak van trombocyten zoals bij essentiële trombocytose.

Erytrocyten
Rode bloedcellen, erytrocyten, spelen een rol bij de gaswisseling. Een volwassen erytrocyt leeft zo’n 100-120 dagen. De referentiewaarden voor het aantal erytrocyten:

Mannen 4.3-6.0 x10^3/L
Vrouwen 3.8-5.5 x10^3/L

Kortweg duidt een te hoog aantal erytrocyten op een verhoogde productie in het beenmerg. Dit komt o.a. voor bij polycythaemia vera en bij EPO-gebruik. Een tekort aan erytrocyten kan voorkomen bij anemie, bijvoorbeeld door hemolyse. Erytrocyten kunnen daarnaast een afwijkende vorm hebben, zoals bij sferocytose en sikkelcelziekte. De malaria parasiet gaat in erytrocyten zitten en komt na 3 dagen weer vrij. Hierdoor gaan erytrocyten kapot en krijgen patiënten de bekende koortspieken. Mensen met sikkelcelanemie hebben een verlaagde kans op malaria omdat de parasieten moeilijker in de cellen kunnen komen.

Reticulocyten
Reticulocyten zijn jonge erytrocyten. Ze rijpen in het beenmerg uit gedurende 1-2 dagen waarna ze in de bloedbaan terecht komen. Reticulocyten bevatten ribosomaal RNA en raken dit kwijt tijdens de uitrijping in de bloedbaan. Na 1-2 dagen in de bloedbaan zijn de reticulocyten volwaardige erytrocyten. De hoeveelheid reticulocyten wordt weergeven als percentage van de hoeveelheid erytrocyten.

  • Manuele telling: 0-2%
  • Automatische telling 0.5-2.5%

Wanneer er een verhoogde aanmaak is van erytrocyten, is ook het aantal reticulocyten verhoogd. In het geval van een anemie kan het reticulocytengetal vals verhoogd zijn.

Witte bloedcellen

Leukocyten 4.5-11 x10^9/L Witte bloedcellen, betrokken bij afweer. Verhoogd bij o.a. Leukocytose: zwangerschap, forse inspanning, psychologische stress, na maaltijd, bij rokers, door infectie lymfoproliferatieve ziekten, myeloproliferatieve ziekten, bij cortison gebruik; Leukopenie: MTX, chemo, ondervoeding, hematologische maligniteiten. Bij een tekort aan leukocyten ontstaan er sneller infecties.
Monocyten 0.2-0.8 x10^9/L Antigeen presenterende cellen. Monocytose: (chronische) bacteriële infecties, chronische neutropenie, ziekte van Hodgkin ea. Chronische leukemie (>1000/μL >6 maanden =!) Monocytopenie: bij neutropenie, hairy cell leukemia (volledig afwezig)
Eosinofielen <0.4 x10^9/L Spelen een rol bij afweer tegen bepaalde infecties, met name parasitaire- en worminfecties. Daarnaast zijn er ook veel eosinofielen in het bloed bij patiënten met allergische ziekten (eosinofilie). Eosinofilie: Goedaardig: reactie op infectie of allergische ziekte Maligne: ongecontroleerde toename door fout in ontwikkelingsproces, zoals bij HES, CEL (myeloproliferatieve aandoeningen) Eosinopenie: acute infectie, Cushing/steroïden.
Basofielen <0.2 x10^9/L Minst voorkomende witte bloedcellen, maar tevens de grootste vorm. Basopenie: thyreotoxicose, stresstoestand (MI, maagulcus, anafylaxie) Basofilie: allergie, chronische nieraandoening, inflammatoire aandoeningen, infecties, CML (>200/μL = !).
Lymfocyten 1.0-4.0 x10^9/L De aanmaak is onafhankelijk van andere witte bloedcellen. Lymfopenie: radio- en chemotherapie, geneesmiddelen (steroïden), ernstige infecties, HIV (met sterke daling CD4 T-lymfocyten). Lymfopenie: radio- en chemotherapie, geneesmiddelen (steroïden), ernstige infecties, HIV (met sterke daling CD4 T-lymfocyten)
Neutrofielen 1.5-9.0 x10^9/L Neutropenie: infectie (acuut viraal, luchtweg, CMV, mononucleosis, toxoplasmose, hepatitis B/C, tyfus, malaria, TBC, dengue, rickettsia, psittacosis, borreliose, parasitair, sepsis), schildklierziekten, hematologisch (hodgkin, myelofibrose, MDS, aplastische anemie, leukemie, lymfoom, Werner-Schultz, agranulocytose nno), congenitale immuundefici”enties (kostmann, cyclische neutropenie, hyper IgM-syndroom), deficiënties (foliumzuur, vitamine B12, mineralen, koper zink), chemotherapie/bestraling, hypersplenisme, medicatie (clozapine, bupropion, valproïnezuur, lamotrigine, metronidazol, sirolimus/tacrolimus, ciclosporine, TNF-inhibitors, interferon, thiopurines, arsenicum). Neutrofilie: reactie op infecies, trauma, auto-immuunaandoeningen, brandwonden, infarcten, uremie, acidose, eclampsie, hemolyse, medicatie en toxische stoffen (adrenaline, steroïden, lithium, groeifactoren), stress, inspanning, zwangerschap, roken. Bij CML is het aantal neutrofielen heel hoog. (>50000/μL).

Nierfunctie
Kreatinine en de eGFR
Het serum kreatinine is een maat voor de nierfunctie. Het is een afbraakproduct van kreatininefosfaat in spierweefsel. Kreatinine wordt in het lichaam met een redelijke constante snelheid geproduceerd, afhankelijk van de hoeveelheid spiermassa. De kreatininespiegel en eGFFR worden vaak bepaald om de nierfunctie in te schatten, bijvoorbeeld als er medicatie moet worden toegediend en om nierziektes te vervolgen. De referentiewaarden voor het serum kreatinine in het bloed zijn:

Mannen 45-100 μmol/L
Vrouwen 45-80 μmol/L

Een te hoog kreatinine is een teken van een slechtere nierfunctie. Immers filteren de nieren kreatinine uit het bloed, waardoor een evenwichtsspiegel ontstaat. De mate van klaring van kreatinine is daarom een maat voor de nierfunctie (glomerulaire filtratiesnelheid). Er zijn verschillende formules (MDRD en CKD-EPI) om de eGFR te berekenen en het kan daarom per ziekenhuis verschillen hoe de waarde wordt gepresenteerd. De CKD-EPI formule is nauwkeuriger en over het algemeen geldt dat een normale eGFR >60mL/min/1.73m2. Er zijn echter wel factoren die de eGFR beïnvloeden, zoals de verhouding spier- en vetmassa en etniciteit. Een betere maat voor de nierfunctie is de GFR, deze wordt bepaald met een 24-uurs urine meting. Een te lage kreatininewaarde is meestal niet alarmerend en komt veel voor wanneer spiermassa afneemt.

 

Elektrolyten
Natrium
Natrium wordt met name bepaald om uitdroging en problemen met de vochtbalans in kaart te brengen. Omdat de nieren een rol spelen in de vochthuishouding wordt vaak ook de nierfunctie mee bepaald. De normaalwaarden zijn 136-144 mmol/L voor mannen en vrouwen.
Een te hoog natrium gehalte in het bloed wordt hypernatriëmie genoemd. In dit geval is de patiënt hypertoon. Er wordt onderscheid gemaakt tussen verminderde waterinname, toegenomen waterverlies en toename van hoeveelheid natrium t.o.v. water. Niet-gecompenseerd waterverlies is de meest voorkomende oorzaak. Ouderen lopen in het ziekenhuis een hoger risico op hypernatriëmie en ook intensive care patiënten hebben hier vaak mee te maken. Bij een ontregelde diabetes patiënt kan ook een hypernatriëmie ontwikkelen, aanvankelijk zal er sprake zijn van hyponatriëmie maar de osmotische diurese kan zorgen voor hypernatriëmie.  Een hypernatriëmie kan ernstige neurologische complicaties tot gevolg hebben, met name hersenbloedingen. De behandeling van hypernatriëmie mag niet te snel gebeuren, omdat er anders hersenoedeem kan optreden. 
Een te laag natrium in het bloed wordt een hyponatriëmie genoemd. Dit is de meest voorkomende elektrolytstoornis. De verhouding water en natrium is uit balans, met een relatief grotere hoeveelheid water. De patiënt kan daarnaast hyper-, hypo- of normovolemisch zijn. Een ernstige hyponatriëmie is wanneer de concentratie natrium <115mmol/L bedraagt. Symptomen kunnen zowel bij acute als chronische hyponatriëmie subtiel zijn, maar er zijn twee belangrijke neurologische aandoeningen die niet gemist mogen worden: acuut hersenoedeem en osmotisch demyelinisatie syndroom.

Kalium
Kalium (normaal: 3.8-5.0 mmol/L) speelt een belangrijke rol in fysiologische processen, met name in het behouden van de rustpotentiaal, neuromusculaire signaaloverdracht en spiercontracties. Het kaliumniveau wordt bepaald door inname, verlies in darmen, transpiratie en uitscheiding in urine. 98% van het kalium bevindt zich intracellulair. De nieren en aldosteron spelen een belangrijke rol in de uitscheiding van kalium. De kalium balans raakt vaak verstoord bij nierziekten en hevige diarree. Ook diuretica kunnen een verlies van kalium geven.
Een hyperkaliaemie is gevaarlijk omdat het hartritmestoornissen kan veroorzaken, dit kan op een ECG zichtbaar zijn als een verminderde duur van de T-golf. Een ernstige hyperkaliëmie (>6 mmol/L) vereist directe interventie. Veelvoudig worden patiënten met een hyperkaliëmie opgenomen in het ziekenhuis door medicamenteuze oorzaken. 
Een hypokaliaemie is een veel voorkomende elektrolytstoornis. Er kunnen symptomen optreden passend bij elk orgaansysteem en uiteindelijk kan een hypokaliaemie levensbedreigend zijn. Met name vanwege mogelijke paralyse van de ademhalingsspieren, hartritmestoornissen en rhabdomyolyse (al dan niet met nierschade). Bij een hypokaliëmie kan er sprake zijn van een te lage inname, renaal verlies (diuretica), extrarenaal verlies (braken, diarree) en redistributie (alkalose, overmatig caffeïnegebruik). Een hypomagnesiëmie kan een hypokaliëmie induceren, daarom moet hier altijd naar gekeken worden.

 

Metabole parameters
Glucose en HBA1c
Bloedglucose zegt iets over het suiker op het moment van meten en dus over de regulatie op dit moment. Het HBA1c zegt iets over glucose uit het bloed dat gebonden is aan hemoglobine. Hoe hoger de glucoseconcentratie, hoe meer binding aan hemoglobine en hoe meer geglyceerd HBA1c wordt gevormd. Het HBA1c zegt daarom iets over de suikerregulatie over een langere periode, het is een gemiddelde indicatie van de regulatie over 2-3 maanden (levensduur erytrocyt).

Glucose Nuchter 3.5-6.0 mmol/L
Niet nuchter 3.5-7.8 mmol/L
HbA1c Gezonde patiënt: 20-42mmol/mol
DM-patiënt: <53mmol/mol

fT4 en TSH
Om schildklierfunctie te bepalen kijken we vooral naar het vrije T4 (fT4) en het TSH. Bij afwijkende parameters wordt er vaak ook naar antistoffen gekeken. Het hormoon T4 helpt bij stofwisseling en groei. 

  1. Totaal T4: de totale hoeveelheid, inclusief de gebonden T4 aan transporteiwitten (thyroxine bindend globuline, albumine, transthyretine);
  2. Vrij T4 (fT4): het gedeelte van thyroxine dat niet is gebonden aan een ander eiwit en het daadwerkelijke actieve /effectieve deel van het hormoon.
fT4 9-24 pmol/L
TSH 0.4-4.0 mU/L

Een laag T4 duidt op een trage schildklier (hypothyreoïdie), terwijl een hoog T4 duidt op een snel werkende schildklier (hyperthyreoïdie). Om meer inzicht te krijgen in schildklierfunctie wordt ook naar TSH gekeken. TSH wordt in de hypofyse gemaakt en stimuleert de schildklier tot het produceren van T3 en T4. Een laag TSH: bij hyperthyreoïdie. Een hoog TSH zie je bij hypothyreoïdie.

Calcium 
Calcium (normaal: 2.10-2.55 mmol/L) is betrokken bij de botopbouw, spiercontractie en bloedstolling. Het grootste deel komt binnen via voeding. Het calciumniveau wordt gereguleerd door het parathormoon (PTH), calcitonine en vitamine D. Betrokken organen zijn de nieren, de darmen, de bijschildklieren en botten. Ongeveer 40% van het calcium is vrij als ionen in de bloedbaan. De overige 60% is gebonden aan eiwiten, met name albumine. Bij patiënten met een afwijkend albumine is het interpreteren van het totale calcium daarom lastiger. Calcium dient altijd te worden gecorrigeerd voor het gemeten albumine: ca gemeten + 0.025 * (40- albumine (g/L)).

  • Hypocalciëmie: buikkrampen, spierkrampen en tintelingen): bij nierziekten, schildklierziekten, kanker of ondervoeding.
  • Hypercalciëmie: vermoeidheid, misselijkheid, krachtsverlies, tintelingen en dorst

Albumine
Albumine (normaal 35-55 g/L) wordt gemaakt door de lever en uitgescheiden door de nier. Bij verminderde lever- (verminderde aanmaak) en nierfunctie (meer verlies) is er daarom ook een verlaagd albumine. Albumine is een belangrijk transport eiwit en is het meest voorkomende eiwit in het bloedplasma.

  • Verhoogd albumine: bij uitdroging (relatief)
  • Verlaagd albumine: leverfunctie/nierfunctie verlies

IJzer
IJzer is belangrijk voor zuurstof transport. IJzer wordt o.a. opgenomen met voeding als Fe3+. Een zuur milieu van de maag zorgt voor oxidatie van ijzer, waardoor Fe3+ wordt omgezet in Fe2+ en dat is fijn want ijzer wordt in het maag-darmstelsel opgenomen als Fe2+. In het bloed zit 70% gekoppeld aan hemoglobine, de rest aan ferritine en wordt opgeslagen in weefsels.

Mannen 14-28 mol/L
Vrouwen 10-25 moll/L
  • Verhoogd: hemochromatose, hoge intake ijzer (ferrofumaraat).
  • Verlaagd: verlies, infecties (via hepcidine remming opname). 

Ferritine
Ferritine is een eiwit dat ijzer kan opslaan in cellen. Het plasma ferritine is een indirecte maat voor de hoeveelheid ijzer die in het lichaam is opgeslagen. De concentraties ferritine zijn het hoogst in de lever, milt, skeletspieren en het beenmerg.

Mannen 25-250 g/L
Vrouwen 20-250 g/L
  • Laag ferritine: ijzergebreksanemie, zware menstruele bloeding, verminderde opname ijzer, langdurige digestive bloeding.
  • Hoog ferritine: hemochromatose, alcoholische leverziekten

Transferrine en TYBC
Transferrine is een transporteiwit voor ijzer. Elk molecuul transferrine heeft 2 bindingsplaatsen voor ijzer. De totale ijzerbindingscapaciteit (TYBC) is een constantere waarde dan het serumijzer.

Transferrine 2..0-3.5 g/L
TYBC 40-80 μmol/L

Een hoge ijzerbindingscapaciteit komt voor bij ijzergebreksanemie. Dit lijkt tegenstrijdig, maar het is juist logisch dat elk ijzermolecuul dat er aanwezig is juist heel graag gebonden wordt (hoge affiniteit). Bij een overschot aan ijzer zoals bij hemochromatose zal de TYBC dus juist heel laag zijn. Een verlaagd TYBC komt ook voor bij erfelijke vormen bloedarmoede, eiwitarme voeding en leverfunctiestoornissen.

IJzerverzadiging
De transferrineverzadiging staat voor de hoeveelheid ijzer die gebonden is aan het transferrine en wordt berekend door de serumijzerconcentratie te delen door de transferrineconcentratie, met inachtneming van de bindings- plaatsen van transferrine voor ijzer (1 g transferrine kan 25 μmol ijzer binden). Heeft een beperkte diagnostische waarde in het kader van ferriprieve anemie. Het is verlaagd bij ferriprieve anemie (<15%) en anemie der chronische ziekten. De normaalwaarde voor ijzerverzadiging >15%. 

Hepcidine 
Hepcidine is het centraal regulerende eiwit de systemische ijzerhomeostase. Daarnaast is het ook een acuut fase eiwit. Het wordt met name geproduceerd in de lever en uitgescheiden door de nieren. In enkele gevallen kan het nuttig zijn om hepcidine te bepalen. Een hoog hepcidine zorgt voor een laag ferroporine, weinig ijzeropname in de dunne darm en weinig ijzer afgifte vanuit macrofagen. Komt voor bij hemochromatose en infectie/inflammatie. Daarom hebben veel patiënten in een ziekenhuis een anemie. Een laag hepcidine zorgt voor hoog ferroportine, veel ijzeropname in de dunne darm en veel ijzer afgifte vanuit macrofagen. Komt voor bij ijzergebrek, hypoxie en toegenomen EPO-activiteit (bij ziekten met ineffectieve erytropoiese zoals β-thalassemie major/intermedia, HBH-ziekte en sikkelcelziekte).



Het ‘leverintegraal’
Bilirubine 
Bilirubine is het afbraakproduct van hemoglobine. Het komt via de galblaas in de dunne darm en wordt zo met de ontlasting mee uitgescheiden. Het zorgt voor de bruine/gele kleur van ontlasting. Bilirubine wordt afgebroken door licht. Daarom moet het daarna in het donker worden geplaatst. 

 

  • Ongeconjugeerd (indirect) bilirubine: het product dat ontstaat na afbraak van hemoglobine. Dit wordt door eiwitten in het bloed naar de lever getransporteerd
  • Geconjugeerd (direct) bilirubine: zodra het bilirubine uit het bloed wordt gebonden aan glucuronzuur. Dit gebeurt in de lever. Geconjugeerd bilirubine is wateroplosbaar.

 

Totaal bilirubine Geconjugeerde bilirubine
17 μmol/L 5 μmol/L
  • Pre-hepatische icterus: hemolyse
  • Intrahepatische icterus: leverfunctiestoornis
  • Posthepatische icterus: door galweg obstructie 

Het is belangrijk om te kijken naar de verhouding ongeconjugeerd/geconjugeerd bilirubine. 

  • Ongeconjugeerde hyperbilirubinemie: fysiologisch (pasgeborenen), hemolyse, Ziekte van Gilbert
  • Geconjugeerde hyperbilirubinemie: cholelithiasis, cholangitis
  • Combinatie: hepatitis 

ALAT en ASAT
ALAT en ASAT zeggen iets over leverschade. De verhouding tussen ASAT/ALAT kan worden gebruikt om onderscheid te maken in stadia van leverbeschadiging.

ALAT ASAT
Mannen <50 U/L en vrouwen <40 U/L Mannen <45 U/L en vrouwen <43U/L
  • ASAT>ALAT: bij verval van levercellen, spiercel verval
  • ALAT> ASAT: bij virale hepatitis zonder celverval

yGT
Een enzym dat in de lever wordt gemaakt en helpt bij omzetting en vertering van stoffen die via eten en drinken het lichaam binnenkomen. Het kan eiwitten splisten.

Mannen 5-50 U/L
Vrouwen 5-35 U/L

yGT wordt met name gebruikt om galwegobstructie aan te tonen/ uit te sluiten. Een verhoogd yGT duidt op cholestase. Het is vaak eerder verhoogd dan andere enzymen (ASAT, ALAT).

 

AF
Een enzym (normaal: <125 U/L) dat fosfaat moleculen van andere stoffen kan verwijderen. Het enzym komt met name voor in: 

  1. Leverparenchym
  2. Galwegepitheel
  3. Osteoblasten
  4. Darmepitheel
  5. Placenta
  6. Nierweefsel

Een verhoogd AF kan voorkomen bij leverafwijkingen, maar met name door obstructie van galwegen. Ook kan het verhoogd zijn bij botafbraak, het eten van vette maaltijden, zwangerschap of nierfalen. Een verlaagd AF komt voor bij peri/postmenopauzale vrouwen die oestrogenen gebruiken bij osteoporose, ondervoeding, magnesiumtekort, bloedarmoede en hypothyreoïdie en bij kinderen na ernstige diarree.

LDH
Komt voor in alle lichaamscellen, maar met name lever, hart, nieren, gestreept spierweefsel, lymfeklieren en erytrocyten. Een verhoogd LDH komt voor bij megaloblastische anemieën, MI, myocarditis, decompensatio, necrose van de lever/longweefsel/spierfweefsel/nierweerfsel en maligne tumoren en hemolyse. 



Cardiale parameters
CK
Creatinekinase (CK) is een enzym dat een rol speelt bij de energievoorziening van spieren. Het wordt bepaald om schade aan spiercellen (CK-MM) en hartcellen (CK-MB) te bepalen. Ook wordt het gebruikt om spierziekten te diagnosticeren en vervolgen.

Mannen <200 U/L
Vrouwen <170 U/L

Een verhoogd CK-MM duidt op spierschade. Een verhoogd CK-MB duidt op hartspierschade

Troponine T
Troponine (normaal: <0.01 μg/L) is een eiwit dat betrokken is bij het samentrekken en ontspannen van spieren. Het zit in alle spieren, ook de hartspier. Bij beschadiging van de hartspier na ischemie, lekt troponine uit de cellen in het bloed. Binnen 2 uur na het infarct kun je al een verhoging meten. Ook blijft het na een hartinfarct lang aanwezig in het bloed, ongeveer 2 weken.

Nt-ProBNP
Bij hartfalen gaat het hart als reactie het hormoon pro-BNP produceren. Dit helpt om de pompfunctie te verbeteren, doordat het de bloeddruk verlaagd en er meer zout en water worden uit geplast. In de linker harthelft wordt pro-BNP gesplitst in BNP en nt-ProBNP (normaal: <125 pg/mL).

  • Verhoogd: sterk verhoogd duidt op hartfalen, hoe hoger hoe ernstiger. Oude mensen en mensen met nierziekten hebben licht verhoogde waarden. De grenzen zijn dus leeftijdsafhankelijk.
  • Verlaagd: sluit samen met normale ECG en LO de diagnose hartfalen uit.