Interpretatie

Parameter Normaalwaarden Interpretatie
BSE Mannen <50: <15 mm/uur Mannen >50: <20 mm/uur Vrouwen <50: <20 mm/uur Vrouwen >50: <30 mm/uur BSE is de bezinkingssnelheid van erytrocyten. Het is een indirecte manier om de ernst van een ontstekingsproces te meten. Ook zegt het iets over orgaanschade. Het wordt ook gebruikt om het beloop van een ziekte en werking van therapie te monitoren.
CRP <10 mg/L Acuut fase eiwit CRP bindt an fosfolipide van bacteriën en lichaamseigen cellen. Hierdoor wordt het complementsysteem geactiveerd en gaan fagocyten naar het ontstoken weefsel toe. Aantonen/uitsluiten ontsteking: CRP is al in het bloed te meten 6-8 uur na het ontstaan van de ontsteking. Controleren therapie: De halfwaardetijd is kort, 9-12 uur, waardoor het CRP ook iets zegt over de werking van je therapie. Een CRP >100 duidt op bacteriële infecties, pancreatitis, appendicitis, trauma, kanker en reuma Een CRP <100 duidt op virale infecties, tuberculose en chronische ontstekingen
Hb Man 8.5-11 Vrouw 7.5-10 Hb geeft rode bloedcellen zijn kleur. Het zorgt voor transport van O2 door het lichaam. Hb is meestal een maat om bloedarmoede aan te tonen/ uit te sluiten. Een verlaagd Hb heet ook wel een anemie. Een laag Hb kan ook ontstaan door uitdroging, veel drinken of hyper-/hypoviscositeit van het bloed. Hb kan ook te veel worden aangemaakt door het beenmerg, of het gaat verloren bij een bloeding.
Ht Man 0.41-0.50 L/L Vrouw 0.36-0.47 L/L Is een maat voor de hoeveelheid rode bloedcellen in verhouding met de rest vh bloed: een ht van 0.45 komt overeen met 45mL erytrocyten in 100mL bloed. Polycythemie (hoog Ht): hogere viscositeit van het bloed met meer kans op HVZ. Het Ht kan verhoogd zijn door: EPO gebruik/ verhoogde EPO productie met verhoogde aanmaak erytrocyten (hoogte) Dehydratie (verlaging totaal volume)
Haptoglobine 0.3-3.0 g/L Haptoglobine is een acuut fase eiwit dat door de lever wordt geproduceerd en betrokken is bij de afbraak van erytrocyten. Het vernietigd hemoglobine dat uit beschadigde erytrocyten lekt. Haptoglobine bindt het Hb en brengt het als complex naar de lever. Het brengt inzicht in de oorzaak van een anemie, met name hemolyse. Verhoogd hapto: geen betekenis, kan samen met andere acute fase eiwitten verhoogd zijn bij inflammatoire processen. Verlaagd hapto: Het verbruik is sneller dan de aanmaak, dit past bij sterk verhoogde afbraak van erytrocyten. De aanmaak is gestoord
MCV 80-100 fL Zegt iets over de gemiddelde grootte van erytrocyten. Het wordt met name gebruikt om onderscheid te maken in het soort anemie. Microcytair (laag MCV): ijzergebrek, thalassemie, loodvergiftigin, sideroblastaire anemie Normocytair (normaal MCV): acute bloeding (hoog reticulocyten), nierfalen, leverinsufficiëntie, chronische ziekten, gestoorde aanmaak in beenmerg (laag reticulocyten, leukemie/lymfoom) sikkelcelanemie Macrocytair (hoog MCV): foliumzuur/VitB12-deficiëntie, alcohol, medicatie, leverziekten, MDS, pernicieuze anemie, hypothyreoïdie
MCH 1600-2100 amol Staat voor mean corpuscular Hemoglobine, de hoeveelheid zuurstof vervoerend Hb in erytrocyten.
MCHC 19-23 mmol/L Staat voor mean corpuscular hemoglobin concentration, de concentratie hemoglobine in erytrocyten. Hypochrome anemie: chronisch bloedverlies, chronische inflammatie, ferriprieve anemie, Normochrome anemie: bloedverlies, chronische nierontsteking, loodvergiftiging, chronische beenmergziekten Hyperchrome anemie: sferocytose, vitamineB12/foliumuur deficiëntie
RDW Staat voor relative distribution width, de variatie in grootte van erytrocyten. Bij veel annemieën is er een grote variatie in grootte. Bij ferriprieve anemie vaak als eerste gestoord. Verder weinig klinische relevantie.
Trombocyten 150-400x103/mm^3 Bloedplaatjes spelen een belangrijke rol bij de stolling, ze plakken aan de beschadigde vaatwand en aan elkaar. Bloedplaatjes worden gemaakt in het beenmerg: hematopoietische stamcel; progenitor cel; promegakaryocyten; megakaryocyten; trombocyten Trombopenie: sneller bloeden, veel blauwe plekken. Ontstaan door: Verminderde aanmaak (beenmergziekten, beenmerg beschadiging, geneesmiddelen (NSAIDs, antibiotica), alcohol, hypothyreoïdie, anorexia, ijzer vitb13 en foliumzuurtekort), Snel verbruik/afbraak: grote bloeding, ITP, HIV, LE, bevalling, trombose, sepsis Trombocytose: makkelijker stollen (trombose), ontstaan door: Verhoogde aanmaak: Bloedziekten zoals essentiële trombocytose, bloedingen, ijzertekort, infectie, ontsteking, geneesmiddelen.
Erytrocyten Man 4.3-6.0 x1012/L Vrouw 3.8-5.5 x1012/L Erytrocyten spelen een rol bij de gaswisseling. Bij sommige aandoeningen krijgen ze een andere vorm, worden er te veel erytrocyten gevormd of zijn er juist te weinig erytrocyten. - Een verhoogd erytrocyten komt voor bij polycythaemia vera en EPO gebruik. - Malaria parasieten (plasmodium) gaan in erytrocyten zitten. Bij mensen met sikkelcelziekte, is er lagere kans op malaria omdat de parasieten niet van de vreemde cellen houden.
Leukocyten 4.5-11 x109/L Witte bloedcellen, betrokken bij afweer. Verhoogd bij o.a. Leukocytose: zwangerschap, forse inspanning, psychologische stress, na maaltijd, bij rokers, door infectie lymfoproliferatieve ziekten, myeloproliferatieve ziekten, bij cortison gebruik; Leukopenie: MTX, chemo, ondervoeding, hematologische maligniteiten. Bij een tekort aan leukocyten ontstaan er sneller infecties.
Reticulocyten Manueel 0-2% Autom 0.5-2.5% Reticulocyten zijn jonge bloedcellen. Bij een anemie verwacht je een toename van aanmaak van bloedcellen. Tenzij de aanmaak van bloedcellen gestoord is.
Monocyten 0.2-0.8 x109/L Antigeen presenterende cellen. Monocytose: (chronische) bacteriële infecties, chronische neutropenie, ziekte van Hodgkin ea. Chronische leukemie (>1000/μL >6 maanden =!) Monocytopenie: bij neutropenie, hairy cell leukemia (volledig afwezig)
Eosinofielen <0.4 x109/L Spelen een rol bij afweer tegen bepaalde infecties, met name parasitaire- en worminfecties. Daarnaast zijn er ook veel eosinofielen in het bloed bij patiënten met allergische ziekten (eosinofilie). Eosinofilie Goedaardig: reactie op infectie of allergische ziekte Maligne: ongecontroleerde toename door fout in ontwikkelingsproces, zoals bij HES, CEL (myeloproliferatieve aandoeningen) Eosinopenie: acute infectie, Cushing/steroïden
Basofielen <0.2 x109/L Basofielen Basopenie: thyreotoxicose, stresstoestand (MI, maagulcus, anafylaxie) Basofilie: allergie, chronische nieraandoening, inflammatoire aandoeningen, infecties, CML (>200/μL = !).
Lymfocyten 1.0-4.0 x109/L De aanmaak is onafhankelijk van andere witte bloedcellen. Lymfopenie: radio- en chemotherapie, geneesmiddelen (steroïden), ernstige infecties, HIV (met sterke daling CD4 T-lymfocyten) Lymfocytose: acute virale infectie, chronische infecties (parasieten, bacteriën) zoals tbc, toxoplasmose en syfilis, na vaccinatie, indien monoklonaal: lymfoom.
Neutrofielen 1.5-9.0 x109/L Neutropenie: infectie (acuut viraal, luchtweg, CMV, mononucleosis, toxoplasmose, hepatitis B/C, tyfus, malaria, TBC, dengue, rickettsia, psittacosis, borreliose, parasitair, sepsis), schildklierziekten, hematologisch (hodgkin, myelofibrose, MDS, aplastische anemie, leukemie, lymfoom, Werner-Schultz, agranulocytose nno), congenitale immuundefici”enties (kostmann, cyclische neutropenie, hyper IgM-syndroom), deficiënties (foliumzuur, vitamine B12, mineralen, koper zink), chemotherapie/bestraling, hypersplenisme, medicatie (clozapine, bupropion, valproïnezuur, lamotrigine, metronidazol, sirolimus/tacrolimus, ciclosporine, TNF-inhibitors, interferon, thiopurines, arsenicum). Neutrofilie: reactie op infecies, trauma, auto-immuunaandoeningen, brandwonden, infarcten, uremie, acidose, eclampsie, hemolyse, medicatie en toxische stoffen (adrenaline, steroïden, lithium, groeifactoren), stress, inspanning, zwangerschap, roken. Bij CML is het aantal neutrofielen heel hoog. (>50000/μL).
Natrium 136-144 mmol/L Natrium wordt met name bepaald om uitdroging en problemen met de vochtbalans in kaart te brengen. Omdat de nieren een rol spelen in de vochthuishouding wordt vaak ook de nierfunctie mee bepaald. Hyponatriëmie: Neurologische consequenties. Een verlaagd natrium ontstaat o.a. door: Pseudo: bij MM, amyloïdose, hypertriglyceridemie, hypercholesterolemie Hyperglycaemisch (suiker trekt water aan, trekt Na mee) Diuretica gebruik SIADH: maligniteit, pulm en neur infecties, longaandoeningen, neurologische ziekten (bloedingen, trauma), geneesmiddelen, erfelijk, idiopathisch, passagère Endocrien: prim. En secun. Bijnierinsufficiëntie Cerebral salt waisting Tea and toast hyponatriëmie Hartfalen, levercirrose, nefrotisch syndroom Extra-renaal met blijvende waterinname Nierinsufficiëntie Malaria Hypernatriëmie: neurologische symptomen, malaise, bewustzijnsdaling (Wisselend), veel/weinig dorst. Een te hoog natrium ontstaat onder andere bij: Minder water intake: uitdroging, Waterverlies: renaal (centrale diabetes insipidus, nefrogene diabetes insipidus, zwangerschaps diabetes insipidus, osmotische diurese) GI (braken, osmotische diurese), via huis (transpiratie, brandwonden) Toename: infusie van hypertone vloeistoffen tov urine, infusie van natrium bij oligurie.
Kalium 3.8-5.0 mmol/L De kalium balans raakt vaak verstoord bij nierziekten en hevige diarree. Ook diuretica kunnen een verlies van kalium geven. Hyperkaliëmie: krachtsverlies en hartritmestoornissen Pseudo: trombocytose, leukocytose, myeloproliferatieve aandoeningen, onzorgvuldige afname Redistributie: rhabdomyolyse, tumornecrose, insuline tekort, vasten, acidose (non-aniongap metabole acidose en respiratoire acidose) Tekortaan mineralocorticoïde activiteit: hoog renine (ziekte van addison, cong. Bijnierhyperplasie), laag renine (chron nefropathie, oudere leeftijd) Verminderde mineralocorticoïde werking: pseudo hypoaldosteronisme, salt wasting, syndroom van Gordon, interstitiële nierziekten, obstructie urinewegen Hypokaliëmie: krachtsverlies, bradycardie, obstipatie, misselijkheid/braken, hyperglycaemie, rhabdomyolyse Renaal verlies: Diuretica gebruik/ mineralocorticoïden, hyperaldesteronisme, drop eten, polyurie, Hypomagnesiëmie Lage inname GI verlies: braken, diarree (laxantia gebruik), fistels Shift: Metabole alkalose, overmatig cafeïnegebruik, hoge bèta-adrenerga activiteit, hypothermie, gebruik van bèta-mimetica. Huid: excessief transpireren, brandwonden
Kreatinine Man 45-100 μmol/L Vrouw 45-80 μmol/L Kreatinine is een maat voor de nierfunctie. Het is een afbraakproduct van kreatininefosfaat in spierweefsel. Kreatinine wordt in het lichaam met een redelijke constante snelheid geproduceerd, afhankelijk van de hoeveelheid spiermassa. De nieren filteren kreatinine uit het bloed (passief)., waardoor een evenwichtsspiegel ontstaat. De mate van klaring van kreatinine is daarom een maat voor de nierfunctie (glomerulaire filtratiesnelheid). Een te hoog kreatinine is een teken van een slechtere nierfunctie.
Bilirubine Totaal: <17 Geconjugeerd: <5 Bilirubine is het afbraakproduct van hemoglobine. Het komt via de galblaas in de dunne darm en wordt zo met de ontlasting mee uitgescheiden. Het zorgt voor de bruine/gele kleur van ontlasting. Bilirubine wordt afgebroken door licht. Daarom moet het daarna in het donker worden geplaatst. Ongeconjugeerd (indirect) bilirubine: het product dat ontstaat na afbraak van hemoglobine. Dit wordt door eiwitten in het bloed naar de lever getransporteerd Geconjugeerd (direct) bilirubine: zodra het bilirubine uit het bloed wordt gebonden aan glucuronzuur. Dit gebeurt in de lever. Geconjugeerd bilirubine is wateroplosbaar. Pre-hepatische icterus: hemolyse Intrahepatische icterus: leverfunctiestoornis Posthepatische icterus: door galweg obstructie Het is belangrijk om te kijken naar de verhouding ongeconjugeerd/geconjugeerd bilirubine. ongeconjugeerde hyperbilirubinemie: fysiologisch (pasgeborenen), hemolyse, Ziekte van Gilbert Geconjugeerde hyperbilirubinemie: cholelithiasis, cholangitis Combinatie: hepatitis
AF <125 U/L Een enzym dat fosfaat moleculen van andere stoffen kan verwijderen. Het enzym komt met name voor in: Leverparenchym Galwegepitheel Osteoblasten Darmepitheel Placenta Nierweefsel Een verhoogd AF kan voorkomen bij leverafwijkingen, maar met name door obstructie van galwegen. Ook kan het verhoogd zijn bij botafbraak, het eten van vette maaltijden, zwangerschap of nierfalen. Een verlaagd AF komt voor bij peri/postmenopauzale vrouwen die oestrogenen gebruiken bij osteoporose, ondervoeding, magnesiumtekort, bloedarmoede en hypothyreoïdie en bij kinderen na ernstige diarree.
ALAT en ASAT ALAT: m<50 U/L en v <40 U/L ASAT: m<45 U/L en v <35 U/L ALAT en ASAT zeggen iets over leverschade. De verhouding tussen ASAT/ALAT kan worden gebruikt om onderscheid te maken in stadia van leverbeschadiging. ASAT>ALAT: bij verval van levercellen, spiercel verval ALAT> ASAT: bij virale hepatitis zonder celverval
LDH Komt voor in alle lichaamscellen, maar met name lever, hart, nieren, gestreept spierweefsel, lymfeklieren en erytrocyten. Verhoogd LDH: komt voor bij megaloblastische anemieën, MI, myocarditis, decompensatio, necrose van de lever/longweefsel/spierfweefsel/nierweerfsel en maligne tumoren en hemolyse
yGT Man 5-50 U/L Vrouw 5-35 U/L Een enzym dat in de lever wordt gemaakt en helpt bij omzetting en vertering van stoffen die via eten en drinken het lichaam binnenkomen. Het kan eiwitten splisten. yGT wordt met name gebruikt om galwegobstructie aan te tonen/ uit te sluiten. Een verhoogd yGT duidt op cholestase. Het is vaak eerder verhoogd dan andere enzymen (ASAT, ALAT).
Albumine 35-55 g/L Albumine wordt gemaakt door de lever en uitgescheiden door de nier. Bij verminderde lever- (verminderde aanmaak) en nierfunctie (meer verlies) is er daarom ook een verlaagd albumine. Albumine is een belangrijk transport eiwit en is het meest voorkomende eiwit in het bloedplasma. Verhoogd albumine: bij uitdroging (relatief) Verlaagd albumine: leverfunctie/nierfunctie verlies
Calcium 2,10-2.55 Calcium is betrokken bij de bot opbouw, spiercontractie en bloedstolling. Het grootste deel komt binnen via voeding. Het calciumnivea wordt gereguleerd door het parathormoon (PTH), calcitonine en vitamine D. Bij patiënten met een afwijkend albumine is het interpreteren van het totale calcium lastiger. Dit komt omdat calcium voor een deel kan binden aan albumine. Daarom wordt calcium altijd gecorrigeerd voor albumine: ca gemeten + 0.025 * (40- albumine (g/L)).
Glucose Nuchter 3.5-6.0 mmol/L Niet nuchter 3.5-7.8 mmol/L Hypocalciëmie (buikkrampen, spierkrampen en tintelingen): bij nierziekten, schildklierziekten, kanker of ondervoeding
HBA1c DM: <53 mmol/mol Geen DM: 20-42 mmol/L Hypercalciëmie (vermoeidheid, misselijkheid, krachtsverlies, tintelingen en dorst)
T4 Tot 64-154 nmol/L fT4 9-24 pmol/L Het T4 helpt bij stofwisseling en groei. Totaal T4: de totale hoeveelheid, inclusief de gebonden T4 aan transporteiwitten (thyroxine bindend globuline, albumine, transthyretine); Vrij T4 (fT4): het gedeelte van thyroxine dat niet is gebonden aan een ander eiwit en het daadwerkelijke actieve /effectieve deel van het hormoon. Een laag T4 duidt op een trage schildklier, terwijl een hoog T4 duidt op een snel werkende schildklier. Om meer inzicht te krijgen in schildklierfunctie wordt ook naar TSH gekeken.
TSH 0.4-4.0 mU/L TSH wordt in de hypofyse gemaakt en stimuleert de schildklier tot het produceren van T3 en T4. Laag TSH: bij hyperthyreoïdie Hoog TSH: bij hypothyreoïdie
CK Man <200 U/L Vrouw <170 U/L Creatinekinase (CK) is een enzym dat een rol speelt bij de energievoorziening van spieren. Het wordt bepaald om schade aan spiercellen (CK-MM) en hartcellen (CK-MB) te bepalen. Ook wordt het gebruikt om spierziekten te diagnosticeren en vervolgen. Een verhoogd CK-MM duidt op spierschade Een verhoogd CK-MB duidt op hartspierschade
Troponine T <0.01 μg/L Troponine is een eiwit dat betrokken is bij het samentrekken en ontspannen van spieren. Het zit in alle spieren, ook de hartspier. Bij beschadiging van de hartspier na ischemie, lekt troponine uit de cellen in het bloed. Binnen 2 uur na het infarct kun je al een verhoging meten. Ook blijft het na een hartinfarct lang aanwezig in het bloed, ongeveer 2 weken.
Nt-ProBNP <125 pg/mL Bij hartfalen gaat het hart als reactie het hormoon pro-BNP produceren. Dit helpt om de pompfunctie te verbeteren, doordat het de bloeddruk verlaagd en er meer zout en water worden uit geplast. In de linker harthelft wordt pro-BNP gesplitst in BNP en nt-ProBNP. Verhoogd: sterk verhoogd duidt op hartfalen, hoe hoger hoe ernstiger. Oude mensen en mensen met nierziekten hebben licht verhoogde waarden. De grenzen zijn dus leeftijdsafhankelijk. Verlaagd: sluit samen met normale ECG en LO de diagnose hartfalen uit.
IJzer Man 14-28 mol/L Vrouw 10-25 mol/L Een zuur milieu van de maag zorgt voor oxidatie van ijzer, waardoor Fe3+ uit voedsel wordt omgezet in Fe2+ en dat is fijn want ijzer wordt in het maag-darmstelsel opgenomen als Fe2+. In het bloed zit 70% gekoppeld aan hemoglobine, de rest aan ferritine en wordt opgeslagen in weefsels. Verhoogd: hemochromatose, hoge intake ijzer (ferrofumaraat) Verlaagd: verlies, infecties (via hepcidine remming opname)
Ferritine Man 25-250 g/L Vrouw 20-250 g/L Ferritine is een eiwit dat ijzer kan opslaan in cellen. Het plasma ferritine is een indirecte maat voor de hoeveelheid ijzer die in het lichaam is opgeslagen. De concentraties ferritine zijn het hoogst in de lever, milt, skeletspieren en het beenmerg. Laag ferritine: ijzergebreksanemie, zware menstruele bloeding, verminderde opname ijzer, langdurige digestive bloeding Hoog ferritine: hemochromatose, alcoholische leverziekten
Transferrine en TYBC Transferrine 2.0-3.5 g/L TYBC 40-80 μmol/L Transferrine is een transporteiwit voor ijzer. Elk molecuul transferrine heeft 2 bindingsplaatsen voor ijzer. Verhoogd: past bij ijzergebreksanemie, namelijk al het beschikbare ijzer moet direct worden gebonden! Verlaagd: hemochromatose, erfelijke vormen bloedarmoede, eiwitarme voeding, leverfunctiestoornis
IJzerverzadiging >15% De transferrineverzadiging staat voor de hoeveelheid ijzer die gebonden is aan het transferrine en wordt berekend door de serumijzerconcentratie te delen door de trans- ferrineconcentratie, met inachtneming van de bindings- plaatsen van transferrine voor ijzer (1 g transferrine kan 25 μmol ijzer binden). Heeft een beperkte diagnostische waarde in het kader van ferriprieve anemie. Het is verlaagd bij ferriprieve anemie (<15%) en anemie der chronische ziekten.
Hepcidine Hepcidine is het centraal regulerende eiwit de systemische ijzerhomeostase. Daarnaast is het ook een acuut fase eiwit. Het wordt met name geproduceerd in de lever en uitgescheiden door de nieren. Hoog hepcidine: dit zorgt voor een laag ferroporine, weinig ijzeropname in de dunne darm en weinig ijzer afgifte vanuit macrofagen. Komt voor bij hemochromatose en infectie/inflammatie. Daarom hebben veel patiënten in een ziekenhuis een anemie. Laag hepcidine: dit zorgt voor hoog ferroportine, veel ijzeropname in de dunne darm en veel ijzer afgifte vanuit macrofagen. Komt voor bij ijzergebrek, hypoxie en toegenomen EPO-activiteit (bij ziekten met ineffectieve erytropoiese zoals β-thalassemie major/intermedia, HBH-ziekte en sikkelcelziekte).