Scoliose

Scoliose is verkromming van de wervelkolom (een descriptieve term). Vaak wordt onderscheid gemaakt tussen structureel of niet-structureel

  • Structureel: altijd aanwezig
  • Niet-structureel: alleen in bepaalde situaties aanwezig. Bijvoorbeeld door beenlengteverschil; als de patiënt zit is de scoliose dan afwezig. Dit wordt ook wel houdingsscoliose genoemd en is dus eigenlijk compensatie in de rug voor een ander probleem.

Andere onderscheidende kenmerken zijn:

  • Locatie: waar zit de apex? 
  • Het aantal bochten: enkel, dubbel, trippel 
  • Mate van Kromming: Cobbse hoekmeting (zie aanvullend onderzoek)
  • Oorzaak scoliose (zie etiologie)

Normale anatomie ruggenwervels (figuur 1):

  • 7 Cervicaal
  • 12 Thoracaal
    • Kyfose: 20-45 graden
  • 5 Lumbaal
    • Lordose: 30-60 graden
  • 5 Sacraal (gefuseerd)
  • 4-5 Coccygis (gefuseerd)

Epidemiologie
In Nederland zijn er circa 60.000 patiënten met scoliose (prevalentie) en daar komen elk jaar circa 1000 nieuwe patiënten bij (incidentie) – vooral in de leeftijd 12-18 jaar. Scoliose komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen. 

Etiologie
Etiologie is gevarieerd en voor een groot deel niet duidelijk (idiopathisch):

  • 80-85% idiopathisch: oorzaak is onbekend maar mogelijk een familiair component
  • Neuromusculaire afwijkingen: bijvoorbeeld cerebrale parese
  • Syndroom gerelateerd: bijvoorbeeld Marfan of Ehlers-Danlos
  • Congenitaal: veel variaties, bijvoorbeeld hemi-vertebra

Figuur 1: de anatomie van de ruggenwervels normaal en bij scoliose.

 

Anamnese

  • Familieanamnese scoliose (erfelijk component bij idiopathische scoliose)
  • Pijnklachten uitvragen: idiopathische scoliose in vroege fase meestal geen pijn, bij aanwezigheid van pijn analyse secundaire oorzaak of een late fase (secundaire artrose)
  • Vermoeidheid: vooral aanwezig in latere fase door spiervermoeidheid & verminderde longfunctie.
  • Familieanamnese: neuromusculaire aandoeningen
  • Doorgemaakte relevante ziektes (rachitis, polio, tbc, trauma)
  • Beenlengteverschil

 

Lichamelijk onderzoek en klinisch beeld

Klinisch beeld

  • Kinderen: opvallende scheefstand rug (vaak opgemerkt door schoolarts of buitenstaander)
  • Volwassenen: rugpijn, stijfheid, of uitstralingspijn in de benen

Lichamelijk onderzoek

  • Inspectie: 
    • Scheefstand
    • Ongelijke tailledriehoek
    • Asymmetrie van de schouderhoogte/ afstaand schouderblad
    • Loodlijn 
    • Oriëntatie hoofd: hoofd staat vaker scheef
    • Spina ileaca anterior meestal niet horizontaal
  • Buktest van Adam (figuur 2): patiënt met rug naar onderzoeker, met gestrekte benen vooroverbuigen, bij scoliose gibbus (‘bochel’) zichtbaar door rotatieafwijking van de wervels. 
    • Gebruik scoliometer: >5 graden is structurele scoliose (je meet de apicale rotatie).
    • Bij een niet-structurele scoliose is er geen asymmetrie.
    • Idiopathische scoliose normaliter rechts convex, denk aan onderliggende oorzaak wanneer links convex.
  • Specifiek:
    • Café au lait huidafwijking(en): denk aan neurofibromatose
    • Cavus voeten: denk aan hereditaire motorische en sensorische neuropathie (HSMN).

Figuur 2: buktest van Adam.

Bron: Maastricht UMC+ [Internet]. Orthopedie.mumc.nl. 2020 [cited 22 November 2020]. Available from: https://orthopedie.mumc.nl/scoliose-bij-jongeren-10-18-jaar 

Aanvullend onderzoek
Aanvullend onderzoek bestaat uit röntgenfoto’s en eventueel een MRI-scan:

Röntgendiagnostiek
Voor röntgendiagnostiek volstaan meestal achter-voorwaartse en zijdelingse röntgenopnamen van de hele wervelkolom. Op de röntgenfoto kan de grootte van de curve, de rotatieafwijking en de locatie bepaald worden. Een veelgebruikte methode bij interpretatie van de röntgenfoto’s is de Cobb-methode: Hoek tussen de bovenste dekplaat van de bovenste meest scheefstaande wervel en de onderste dekplaat van de onderste meest scheefstaande wervel (figuur 3).
Bij ongebruikelijke curven, hyperkyfose, rugpijn, neurologische afwijkingen en in het kader van een preoperatief werkplan. Preoperatief wordt vaak een MRI verricht om afwijkingen in of rond het ruggenmerg uit te sluiten.

Figuur 3: Cobb-methode.

Behandeling
De huisarts verwijst door naar de orthopeed.De behandeling van scoliose bestaat vervolgens uit 3 opties:

  1. Conservatief, al dan niet gecombineerd met oefentherapie
  2. Conservatief met brace
  3. Chirurgisch 

Wat houden deze opties in?

  1. Conservatief, al dan niet gecombineerd met oefentherapie
    Deze optie bestaat uit het klinisch en radiologisch vervolgen van de curve. De mogelijke oefentherapie bestaat uit rugspierversterkende oefeningen en houdings- en bewegingsadviezen.
  1. Conservatief met brace
    Deze optie is vooral nuttig bij idiopathische scoliose in de groeifase bij kinderen. Het doel van de brace is het stoppen van progressie van de bocht. Een complicatie van een brace is ernstige drukplekken. 
    Een brace kan soms ook aan volwassenen worden gegeven, met als doel pijnreductie en eventueel vermindering van neurologische verschijnselen.
  1. Chirurgisch
    De derde optie is een chirurgische correctie van de scoliose, door middel van tractie aan de convexe zijde (‘langer maken’) en distractie aan de concave zijde (‘korter maken’), en het vastzetten door middel van spondylodese.

Keuze van behandeling (figuur 4) hangt af van het type scoliose, en vervolgens ook van leeftijd, klachten, comorbiditeit, grootte van de curve, en progressie van de curve. De behandeling is in eerste instantie vaak conservatief via oefentherapie of een brace. Belangrijk is regelmatige evaluatie om de progressie te monitoren. Daarnaast heeft een brace meestal geen effect bij congenitale en neuromusculaire scoliose, en is een scoliose van >50° bijna altijd een indicatie voor chirurgie.

Figuur 4: beslisboom in de behandeling van scoliose.

Bron: Het behandelen van adolescente idiopatische scoliose. 2020. Available from: https://www.umcg.nl/IDocuments/Scoliose_het_behandelen_van_adolescente_idiopatische.pdf 

Prognose
Idiopathische scoliose: groei is de belangrijkste voorspeller voor progressie. Wanneer de patiënt nog niet uitgegroeid is, is de kans op progressie groter. In de wervelkolom zijn ook de bekken. Daar heb je een apofyse (groeischijf), hieraan kan met behulp van de Risser classificatie de skeletleeftijd bepaald worden. De snelste progressie is in fase risser 1/2 (snelste groeifase). 

Risicofactoren progressie bij idiopathische scoliose:

  • Cobbse hoek > 20 graden
  • Apicale rotatie > 5 graden
  • Hoge krommingen 
  • Gedesequileerd (uit het lood) 
  • Leeftijd (risser classificatie)

Bij de andere oorzaken van scoliose ligt de prognose vaak anders: neuromusculaire scoliose is vaak snel progressief en heeft vaak een slechte prognose. De prognose van congenitale scoliose is afhankelijk van de ernst van het defect.


Bronnenlijst

  1. Spinnewijn W. Scoliose. Huisarts & Wetenschap. 2020 [cited 17 November 2020]. Available from: https://www.henw.org/artikelen/scoliose

  2. Schieving J. Kinderneurologie.eu. 2020 [cited 17 November 2020]. Available from: https://www.kinderneurologie.eu/ziektebeelden/symptomen/scoliose.php 

  3. De Baat P, Van Biezen FC, De Baat C. Scoliose: overzicht van typen, oorzaken, diagnostiek en behandeling 1. 2012

  4. De Baat P, Van Biezen FC, De Baat C. Scoliose: overzicht van typen, oorzaken, diagnostiek en behandeling 2. 2012