Voor 23:59 besteld = binnen 24 uur verzonden*!

Home » Coschappen » Orthopedie » Schouderluxatie

Schouderluxatie

Epidemiologie
De  incidentie van anterieure schouderluxaties (zowel primair als recidief) is ongeveer 32/100.000 personen per jaar. Het komt vaker voor bij mannen, met een verhouding van 2 à 3 staat tot 1. Op oudere leeftijd is de incidentie juist hoger bij vrouwen. Op jonge leeftijd is sport de meest voorkomende oorzaak, op oudere leeftijd betreft het vaak valincidenten. De oorzaak is meestal te vinden in een val op de arm of schouder, maar kan ook door geforceerde bewegingen optreden. 

Etiologie
In >96% van de gevallen betreft het een anterieure schouderluxatie. Hierin is een directe en indirecte vorm te onderscheiden. In de directe vorm is luxeert de schouder door een val op de schouder. Bij de indirecte vorm luxeert de schouder door een val waarbij de arm en/of hand in extensie, abductie, endorotatie, of exorotatie wordt gehouden.
Een posterieure luxatie betreft slechts 1-4% van de gevallen en is daarmee ook een diagnose die vaak gemist wordt. De posterieure luxatie komt typisch voor bij hevige spiercontracties, zoals die kunnen optreden tijdens een epileptisch insult. Andere mogelijke oorzaken zijn een val op de arm in anteflexie en adductie of een direct trauma op de anterieure schouder.

 

Anamnese
Vraag naar het traumamechanisme, chronologie, pijn, functiebeperking, armdominantie, sportbeoefening en werk. Vraag qua voorgeschiedenis naar epilepsie, eerdere luxaties en hypermobiliteit. Bij een anterieure luxatie is anamnestisch onderscheid te maken in twee vormen.

  • Direct: val op de schouder met luxatie tot gevolg
  • Indirect: een val waarbij de arm in extensie abductie of exorotatie werd gehouden

Differentiaal diagnostisch moet nog gedacht worden aan:

  • Subluxatie
  • Luxatie naar craniaal of caudaal (erg zeldzaam)
  • Luxatiefractuur (luxatie met proximale humerusfractuur) 

 

Lichamelijk onderzoek
Inspectie
Afwijkende schoudercontour; vlakke laterale schouderrand met een uitstekend acromion. De patiënt ondersteunt de arm met zijn andere arm. Aan de voorzijde is een zwelling te zien. 

Palpatie
De humeruskop is niet te palperen onder het acromion en de verhouding tussen de processus coracoïdeus en de humeruskop is afwijkend. Functioneel bewegingsonderzoek is niet mogelijk. Bij een luxatiefractuur is er echter abnormaal veel bewegelijkheid.

Neurologisch onderzoek
Test de sensibiliteit van de deltoïdeus regio en de gehele arm.

Vasculair onderzoek
Perifere pulsaties van de arm, temperatuur van de huid en capillary refill.

Posterieure luxaties worden vaak gemist
Beperking van de exorotatie na een trauma is typerend voor een posterieure luxatie. Behandel de patiënt als zodanig tot het tegendeel bewezen is middels röntgenfoto’s.

 

Aanvullend onderzoek
Zowel vóór als na repositie kan een conventionele röntgenserie gemaakt worden. Zo kunnen eventuele fracturen ontdekt worden en de aard van de luxatie vastgesteld. Deze opnames geven ook duidelijk indien verdenking bestaat op een posterieure luxatie. 

  • De schouder-traumaserie biedt het meeste informatie en bestaat uit drie opnames die loodrecht op elkaar staan.
    • AnteroPosterieure (AP) opname
    • Scapulolaterale opname
    • Transaxillaire opname

Indien er sprake is van een ongecompliceerde anterieure schouderluxatie met probleemloze repositie zonder fracturen, hoeven er ná repositie niet opnieuw foto’s gemaakt te worden. 
Een typische radiologie bevinding bij een anterieure schouderluxatie is de Hills-Sachs laesie (figuur 1). Dit is een impressiefractuur van de posterolaterale humeruskop veroorzaakt door de impact van de glenoïdrand op de humeruskop. Bij een Hills-Sachs laesie, moet je ook op zoek naar een Bankart laesie (figuur 1). Dat is letsel aan het anteroinferieure gedeelte van het labrum en kapsel; de plaats waar de humeruskop kracht uitoefent tijdens een luxatie.

Figuur 1: links een Hills-Sachs laesie en rechts een Bankart laesie.

Bron: Roberts D, GAillard F. Hill-Sachs defect | Radiology Reference Article | Radiopaedia.org 2008. https://radiopaedia.org/articles/hill-sachs-defect?lang=us (accessed January 6, 2021). and Saber M, Gaillard F. Bankart lesion | Radiology Reference Article | Radiopaedia.org 2008. https://radiopaedia.org/articles/bankart-lesion?lang=us (accessed January 6, 2021).

 

Tot slot kan echografie worden overwogen bij verdenking op een cuff ruptuur. MRI kan gedaan worden bij een verdenking op intra-articulaire afwijkingen.

 

Behandeling
Er bestaan verschillende repositietechnieken waarvan er niet eentje superieur over de ander is. De gebruikte techniek kan dan ook verschillen per zorgverlener. Indien een eerste repositiepoging mislukt, kan een andere techniek worden geprobeerd. In de acute situatie kunnen deskundigen ter plaatste een repositiepoging doen, zonder pijnstilling. Indien een patiënt wordt verwezen naar de spoed, wordt meestal pijnstilling gegeven, bijvoorbeeld in de vorm van intra-articulaire lidocaïne. Indien repositie uitblijft ondanks herhaalde pogingen, kan de patiënt gesedeerd worden. Drie gebruikelijke repositiemethodes worden hieronder toegelicht. Ongeacht de gebruikte repositiemethode is het echter van belang dat extreme krachtsinwerking wordt voorkomen.

  • Methode volgens Stimson
    • Patiënt in buikligging. De arm hangt naar beneden langs de tafel. Vervolgens geef je tractie naar beneden. Dat kan ook met gewichtjes. Soms reponeert de schouder spontaan zodra deze langs de tafel afhangt. 
  • Methode volgens Hippocrates. 
    • De patiënt ligt in rugligging, je plaatst je voet in de oksel van de patiënt en trekt de arm naar caudaal, met iets adductie. 
  • Methode volgens Kocher
    • Kan in rugligging of zittend. De arm wordt in exorotatie gebracht met de elleboog in 90 graden. Vervolgens wordt de arm in adductie gebracht. Als de schouder terug lijkt te schieten, endoroteer je de arm weer. 

 

Prognose
De prognose van schouderluxaties is over het algemeen goed. De genezingsduur is ongeveer 4-6 weken. Echter is er een hoge recidiefkans, vooral bij jongere mensen. De recidiefkans na een anterieure luxatie is 25-42%. Bij mensen onder de 20 jaar is deze fors hoger: 64-68%. De incidentie van zenuwschade (n. axillaris) kan oplopen tot 48%, maar is meestal self-limiting en behoeft dus geen interventie. De schouderfunctie kan echter wel achterblijven in het herstel, vanwaar fysiotherapie geïndiceerd is. Indien de luxatie het gevolg is van een hoogenergetisch trauma moet echter ook gedacht worden aan een zenuwruptuur.

Late complicaties van schouderluxatie

  • Glenohumerale artrose (met name na operatieve stabilisatie)
  • Frozen shoulder (incidenteel in patiënten > 40 jaar)
  • Chronische instabiliteit
  • Habituele luxaties

 

Bronnenlijst

  1. Slaa RL te, Bron C, Hollander H den, Willems WJ, Rutten MJCM, Winter TC de, et al. Acute primaire schouderluxatie : diagnostiek en behandeling. 2005.

  2. Roberts D, GAillard F. Hill-Sachs defect | Radiology Reference Article | Radiopaedia.org 2008. https://radiopaedia.org/articles/hill-sachs-defect?lang=us (accessed January 6, 2021).

  3. Saber M, Gaillard F. Bankart lesion | Radiology Reference Article | Radiopaedia.org 2008. https://radiopaedia.org/articles/bankart-lesion?lang=us (accessed January 6, 2021).

  4. Richtlijn Acute primaire schouderluxatie: diagnostiek en behandeling. Utrecht: CBO, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg; 2005. https://www.startpuntradiologie.nl/coschappen/spoedeisende-hulp/schouder/x-schouder/index.html