Voor 23:59 besteld = binnen 24 uur verzonden*!

Home » Coschappen » Orthopedie » Patella luxatie

Patella luxatie

Men spreekt van een luxatie (of dislocatie) van de patella wanner deze buiten de groeve (trochlea) treedt waarin hij loopt. Deze luxatie kan volledig of partieel (subluxatie) optreden. 

Epidemiologie
Er is niet veel literatuur over patellaluxatie. De aandoening lijkt het meest voor te komen tussen de 20 en 40 jaar. Een primaire patellaluxatie komt even vaak voor bij vrouwen als bij mannen. Recidiverende patellaluxaties komen vaker voor bij vrouwen, men denkt dat dit door verhoogde laxiteit komt. 

Etiologie, pathogenese en fysiologie
De patella is een sesambot welke als hefboom werkt en de kracht van de M. quadriceps via de patellapees overbrengt naar de tibia. De trekkrachten van de m. quadriceps lopen niet in een loodrechte lijn over op de tibia, maar in een hoek van ongeveer 20 graden, de Quadriceps-hoek (Q-Hoek). Deze hoek zorgt ervoor dat er een krachtvector naar lateraal optreedt. Door de hoogopstaande rand van de trochlea in combinatie met het mediale kapsel, zal de patella in de groeve blijven bewegen. Indien er schade optreedt aan dit mediale kapsel (mediale patelofemorale ligament of MPFL), zal de patella buiten de groeve treden en spreekt men van een luxatie. 

 

Anamnese
Allereerst moet in de anamnese worden nagegaan wat het traumamechanisme is, indien hier sprake van is. Het typische traumamechanisme is een knie in bijna gestrekte positie gecombineerd met een onderbeen in exorotatie. De patiënt zal mogelijk de patella uit de trochlea voelen bewegen en de quadriceps aanspannen, waarna de patella dikwijls terug in positie schiet. 

Differentiaal diagnose

  • Bandletsel
    • Collateraalbanden
    • Kruisbanden
  • Distorsie
  • Contusie
  • Fracturen


Lichamelijk onderzoek
Primaire patellaluxatie kenmerkt zich door enige oedeemvorming rondom de patella en een pijnlijke palpatie van het MPFL. Indien deze (deels) gescheurd is, zal dit gepaard gaan met een haemartros. Bij het LO dient naast palpatie van het mediale kapsel, ook de (laterale en mediale) beweeglijkheid van de patella beoordeeld te worden.

 

Aanvullend onderzoek
Röntgenbeeldvorming kan gedaan worden in drie vlakken, namelijk het coronale, saggitale en axiale vlak. De coronale beeldvorming vindt belast plaats en biedt de mogelijkheid om de gehele onderste extremiteit (van heup tot voet) te beoordelen op stand (valgus of varus). De saggitale weergave biedt de mogelijkheid om de stand van de patella (eventuele patella hoogstand, patella alta) en de diepte van de trochlea (trochleaire dysplasie) te beoordelen; dit vindt ook belast plaats. De axiale weergave biedt tevens de mogelijkheid om de om de stand van de patella ten opzichte van de groeve te bepalen. CT en MRI worden niet altijd uitgevoerd, maar bieden de mogelijkheid om de stand van de patella en de stand van de onderste extremiteiten te bepalen; deze zijn bijdragend om te beoordelen of chirurgisch ingrijpen nodig is.

Figuur 1: stand patella ten opzichte van femur en tibia.

Bron: Verhaar, J. and van Mourik, J., n.d. Leerboek orthopedie. Bohn Stafleu van Loghum.

 

Behandeling
Een primaire patellaluxatie wordt over het algemeen behandeld met fysiotherapie welke zich concentreert op core- en heupstabiliteit. Koelen en compressie van de knie wordt gedaan om het vocht af te laten nemen.   Aspiratie van vocht vindt alleen plaats als sprake is van veel vocht in het kniegewricht. Wanneer er osteochondrale fracturen van de patella te zijn op de beeldvorming, dienen deze te worden verwijderd. Bij trauma van het MPFL is er nog geen consensus of chirurgisch ingrijpen nodig is, de klinische data hiervoor ontbreekt. Bij een recidiverende (lees: habituele) patellaluxatie wordt vaker chirurgisch ingegrepen op de luxerende factor. Zo kunnen een hoogstaande patella en een ondiepe trochlea chirurgisch behandeld worden. 

 

Prognose
Grote klinische studies die de prognose na een patellaluxatie bespreken, ontbreken. Over het algemeen kan worden aangenomen dat er een verhoogde kans is op een recidiverende luxatie wanneer er een primaire luxatie heeft plaatsgevonden. Deze kans wordt vergroot als er bijkomende risicofactoren worden gevonden bij beeldvorming (ligamentaire schade, hoogstand van de patella en/of trochleaire dysplasie).

 

Bronnenlijst

  1. Verhaar, J. and van Mourik, J., n.d. Leerboek orthopedie. Bohn Stafleu van Loghum.

  2. Boyer MI. AAOS Comprehensive Orthopaedic Review 2. 2nd ed. Rosemont, IL: American Academy of Orthopedic Surgeons; 2014