Klompvoet

Klompvoeten, ook wel congenitale talipes equinovarus, is een misvorming van de voeten bij pasgeborene. Het is het meest voorkomende misvorming dat gezien is bij de pasgeborene.

Epidemiologie
Klompvoeten komen voor bij 1 op de 600-700 pasgeborenen. De misvorming komt tweemaal zo vaak voor bij jongens als bij meisjes en is in ongeveer de helft van de gevallen dubbelzijdig.

Pathofysiologie
Bij ongeveer 80% van de patiënten is de oorzaak van de klompvoet onbekend. In ongeveer 20% van de gevallen gaat de afwijking gepaard met andere aandoeningen, meestal van neurologische aard, zoals een sluitingsdefect van de neurale buis (spina bifida) of artrogrypose. Bij de idiopathische vorm bestaat een duidelijke familiaire tendens. Het herhalingsrisico is ongeveer 10%. Bij een klein aantal kinderen met een klompvoet is de afwijking niet structureel, maar bestaat er een houdingsafwijking. De afwijkende voetvorm kan passief volledig worden gecorrigeerd. Deze houdingsafwijking is geen klompvoet in de strikte zin van het woord. In de meeste gevallen is er sprake van een min of meer stugge misvorming en zonder adequate behandeling zal die blijven bestaan. Een klompvoet moet dan ook specialistisch worden beoordeeld en behandeld.

Figuur 1: bilateraal klompvoeten.

Bron: Verhaar, J. and van Mourik, J., Leerboek orthopedie. Bohn Stafleu van Loghum.

Anamnese en verder onderzoek
Dit is vaak verder niet geïndiceerd, omdat het beeld duidelijk is en bij 20 weken zwangerschap op de echo al gezien kan worden. Zelden wordt er verder diagnostiek of een röntgenfoto gemaakt. Het is wel belangrijk om onderliggende oorzaken, zoals neurologische, vasculaire of weke delen afwijkingen uit te sluiten.

 

Behandeling
Met de behandeling moet in de eerste levensweek worden begonnen, tenzij er contra-indicaties bestaan door de algemene conditie van de pasgeborene. In eerste instantie bestaat de behandeling uit manipulatie en redressie van de verschillende componenten van de misvorming. Men corrigeert de adductiestand van de voorvoet, vervolgens de varusstand van de achtervoet en pas wanneer volledige correctie is verkregen, de spitsstand van de voet in het enkelgewricht. Na elke manipulatie en redressie wordt de bereikte stand behouden door middel van een bovenbeengips, met de knie in gebogen stand. In de eerste levensweken worden redressie en gipswisselingen om de paar dagen herhaald, later wekelijks en daarna om de twee weken. Deze niet-operatieve behandeling wordt voortgezet tot de leeftijd van 3 à 4 maanden. Op deze leeftijd bestaat het skelet van de voetwortel nog voor het grootste deel uit kraakbeen. Dit kraakbenige voetskelet kan gemakkelijk door uitwendige krachten worden misvormd. De ‘weke delen’ van de voet, zoals pezen, peeskokers en ligamenten, zijn bij de klompvoet stugge structuren en weerstaan de redresserende krachten vaak beter dan het gemakkelijk vervormbare kraakbeen van de voetwortel. Krachtdadige redressie en immobilisatie kunnen dus tot groeistoornissen leiden. De stugheid van de verschillende componenten van de klompvoetmisvorming varieert. De adductie van de voorvoet is meestal goed redresseerbaar. De correctie van de achtervoetvarus wordt al moeilijker en de spitsstand van het enkelgewricht is vaak niet volledig corrigeerbaar. 
Op de leeftijd van 4 maanden wordt de voet niet alleen klinisch beoordeeld (stand, beweeglijkheid, restant van de misvorming), maar worden ook gestandaardiseerde röntgenfoto’s gemaakt om te onderzoeken of de afwijking al of niet volledig is gecorrigeerd. Het blijkt dat slechts in ongeveer 15% van de gevallen een volledige correctie is bereikt met behulp van de gipsredressie. Bij de overige patiënten moet een min of meer uitgebreide chirurgische correctie worden uitgevoerd, die kan variëren van een eenvoudige posterieure release tot een uitgebreide posteromediale en anterolaterale release. Na de operatie volgt gipsimmobilisatie gedurende zes tot acht weken. Daarna volgt behandeling met een spalk om de voet in de juiste stand ten opzichte van het onderbeen te houden. Zelfs bij het bereiken van de loopleeftijd is de behandeling niet voltooid: tot de leeftijd van ongeveer 5 jaar moet een nachtspalk worden gedragen. Bij kinderen met volledig gecorrigeerde klompvoeten is er geen reden om bijzonder schoeisel voor te schrijven. Zelfs na volledige correctie blijven afwijkingen zichtbaar aan de voet en vooral aan het onderbeen. Klompvoeten gaan namelijk gepaard met een congenitale hypotrofie van de musculatuur van het onderbeen, die zich uit in dunne rechte onderbeencontouren (‘melkfleskuiten’). Deze hypotrofie van de onderbeenmusculatuur is een onderdeel van de klompvoetmisvorming en geen gevolg van langdurige immobilisatie of inadequate behandeling. Ook blijft er doorgaans een wat mindere beweeglijkheid in voetwortel en enkelgewricht bestaan. Ten slotte kan er een voetlengteverschil en zelfs een klein beenlengteverschil ontstaan, zelfs bij dubbelzijdige klompvoeten. De behandeling van de niet-idiopathische klompvoet is doorgaans problematischer dan die van de idiopathische vorm. De misvorming is vaak stugger en moeilijker redresseerbaar. Bovendien bestaat er een grotere kans op een recidief, zelfs na volledige correctie. Een bijkomend probleem bij de neurologisch bepaalde klompvoeten is dat een actieve spierfunctie om de bereikte correctie te handhaven, vaak ontbreekt.

 

Prognose
Een klompvoet geneest niet, maar is goed te corrigeren. Ongeveer 6% ervaart problemen na behandeling.

 

Bronnenlijst

  1. Kinderorthopedie. 2021. Klompvoeten - Máxima MC. [online] Available at: <https://www.mmc.nl/kinderorthopedie/aandoeningen-en-behandelingen/klompvoeten/> [Accessed 31 March 2021].

  2. Verhaar, J. and van Mourik, J., n.d. Leerboek orthopedie. Bohn Stafleu van Loghum.

  3. Luqmani, R., Robb, J., Porter, D. and Joseph, B., 2013. Textbook of orthopaedics, trauma and rheumatology. Edinburgh: Mosby/Elsevier.