Voor 23:59 besteld = binnen 24 uur verzonden*!

Home » Coschappen » Orthopedie » Epicondylitis

Epicondylitis

Epicondylitis refereert naar een ontsteking van de epicondylus (figuur 1). We hebben 2 verschillende in de humerus: de laterale en de mediale. In de femur heb je er ook 2.

Figuur 1: de anatomie van het ellebooggewricht met (A) een anterieur aanzicht, (B) een posterieur aanzicht en (C) lateraal aanzicht.

 

Etiologie, pathogenese en pathofysiologie
Epicondylitis lateralis
De etiologie van de epicondylitis lateralis, ook wel een tenniselleboog, is nog onbekend. Men denkt dat het ontstaat door chronische overbelasting van de extensoren van de pols en hand, waardoor er micro- en macrocytaire laesies in de origo van de extensoren van de pols en hand ontstaan. De origo hiervan bevindt zich op de laterale epicondylus van de elleboog. Er wordt granulatie- en littekenweefsel gevormd, wat bij herhaalde belasting opnieuw beschadigd kan raken en hierdoor kan het peesweefsel degenereren. Er is bij een epicondylitis geen sprake van een ontsteking, daarom wordt er gesproken van een enthesopathie.

Epicondylitis medialis
De etiologie van de epicondylitis medialis, ook wel de golferselleboog, lijkt hetzelfde te zijn als die van de epicondylitis lateralis. Hierbij zijn echter de flexoren van de pols en hand overbelast, waardoor er micro- en macrocytaire laesies ontstaan in de origo van deze spieren: de epicondylus medialis.

Epidemiologie
De incidentie van epicondylitis lateralis is in de huisartsenpraktijk 5-8 per 1000 patiënten per jaar en de prevalentie is 7 per 1000 patiënten per jaar. De cijfers voor de epicondylitis medialis zijn naar schatting een factor 10 lager. Het komt vooral voor in de leeftijd van 40-50 jaar, met een gelijke man:vrouw verhouding en vaak is de dominante arm aangedaan.

 

Anamnese
Bij een verdenking op een epicondylitis, dient gevraagd te worden of de pijn optreedt of toeneemt bij bewegingen van de pols en druk op of rond de epicondylus. Daarbij dienen ook pijn elders in de elleboog, bewegingsbeperking, slotklachten, zwelling of tintelingen uitgevraagd te worden, omdat dit de diagnose epicondylitis minder waarschijnlijk maakt. Als laatste is het ook belangrijk om naar (uitstralende) pijn in de bovenarm, schouder en/of nek te vragen, om schouder- of nekaandoeningen uit te sluiten.

Differentiaaldiagnose
Epicondylitis lateralis
De differentiaaldiagnose bij pijn rond de laterale epicondylus betreft naast een epicondylitis lateralis ook de volgende aandoeningen: referred pain van cervicale oorsprong, pijnklachten door inklemming van de n. interosseus posterior (dit is een aftakking van de n. radialis) of door artrose van het radiohumerale gewricht.

Epicondylitis medialis
Bij pijn rond de mediale epicondylus dient naast een epicondylitis medialis, ook gedacht te worden aan referred pain van de cervicale wervelkolom, artrose van het ulnohumerale gewricht en neuritis ulnaris/cubitaletunnelsyndroom.

 

Lichamelijk onderzoek
Bij pijn aan de elleboog dient volledig onderzoek van de elleboog te worden uitgevoerd, waarbij extra aandacht is voor palpatie van de epicondyl. Bij epicondylitis geeft palpatie van de epicondylus namelijk een scherpe pijn. Op het moment dat er ook aanwijzingen zijn voor klachten aan andere gewrichten, zoals de pols, schouder en/of nek, dan dienen deze ook te worden onderzocht.

Signs en symptoms
Epicondylitis lateralis
Bij een verdenking op een epicondylitis lateralis, zijn er 3 provocatietesten die de diagnose erg waarschijnlijk maken, doordat zij spanning geven aan de extensoren van de pols en daardoor de klachten worden uitgelokt of verergerd. De test is dan positief als er pijn wordt aangegeven rond de laterale epicondylus.

  • Cozen’s test: de elleboog wordt gestabiliseerd door de arts en de onderarm dient in volledige pronatie en pols in radiaalabductie te zijn. De patiënt moet hierbij een vuist maken. Daarna dient de patiënt dorsaalflexie uitvoeren tegen weerstand in.
  • Maudsley’s test: de volledige arm moet gestrekt zijn en de arts moet weerstand geven tegen de gesterkte middelvinger naar beneden, waarbij de patiënt met de middelvinger tegendruk moet geven naar boven. Een andere manier is om de pols in flexie te brengen en tegelijkertijd met tegendruk de pols te laten extenderen.
  • Mill’s test: de elleboog moet gestrekt zijn en de onderarm dient in maximale pronatie te zijn. Hierbij wordt de hand in maximale palmairflexie gebracht.

Epicondylitis medialis
Om de diagnose epicondylitis medialis waarschijnlijker te maken, zijn er ook een provocatietest mogelijk om de pijn uit te lokken of te verergeren. Deze is positief bij pijnklachten rond de mediale epicondylus. Het dient als volgt te worden uitgevoerd: breng de elleboog in extensie en de onderarm in supinatie. Voer daarna geforceerde, passieve dorsaalflexie uit van de pols. 

 

Aanvullend onderzoek
In principe is aanvullend onderzoek niet nodig in het geval van een epicondylitis. Mocht een fractuur of artritis niet uit te sluiten zijn, dan kan er een röntgenfoto van de elleboog worden gemaakt om dit uit te sluiten, dan wel aan te tonen. Bij een röntgenfoto kunnen er soms calcificaties gezien worden op de aanhechting van de extensoren. Dit gebeurt echter niet vaak, dus als dit niet wordt gezien, is een epicondylitis niet uitgesloten.

 

Behandeling
Niet-medicamenteus
In eerste instantie dient natuurlijke genezing te worden afgewacht, mits dit mogelijk is bij het werk, sport en hobby’s van de patiënt. Het is daarbij niet nodig om absolute rust van de arm te adviseren, maar belasting dient op geleide van de pijn te gebeuren. Daarbij is het advies om voorwerpen met gebogen elleboog onder- of bovenhands te dragen.

Medicamenteus
Medicamenteuze behandeling is gericht op pijnstilling en het bevorderen van de beweeglijkheid op geleide van pijn.

  • 1e keus: paracetamol als pijnstilling
  • 2e keus: bij onvoldoende resultaat kan er een NSAID lokaal worden gesmeerd
  • 3e keus: oraal ibuprofen, diclofenac of naproxen

Het gebruik van corticosteroïdinjecties wordt niet aanbevolen. Echter, als er na 6 weken onvoldoende herstel is, of een patiënt snelle verlichting van klachten wenst, kan dit wel worden uitgevoerd. Er dient hierbij uitleg te worden gegeven over de nadelige effecten: het geeft na 2-6 weken een snelle verlichting van de klachten, maar vaak komen de klachten daarna terug. Hierdoor wordt de prognose op de langere termijn minder gunstig: na 1 jaar zijn bij injecties 7 en bij afwachten 8-9 van de 10 patiënten klachtenvrij. Ook kunnen de klachten 1-3 dagen na de injectie erger worden.
Als er wordt gekozen voor corticosteroïdinjecties, dient er geïnjecteerd te worden met triamcinolonacetonide (10 mg/ml) en lidocaïne (2%) in een verhouding van 1:1, tot maximaal 2ml. Bij onvoldoende effect, kan de injectie (na een tussenpoos van ten minste 2 weken), maximaal 2x worden herhaald.

Verwijzing
Bij patiënten met sportgerelateerde klachten die intensief sporten (zoals professoinele sportbeoefenaars) en onvoldoende herstel vertonen na 6 weken of bij recidiverende klachten, kan er verwezen worden naar de sportarts. De sportarts kan namelijk specifieke adviezen geven voor de hervatting en opbouw van sport, de techniek en het materiaal.
Bij patiënten met werkgerelateerde problemen of belemmeringen, dient er contact opgenomen te worden met de bedrijfsarts om aanpassingen te kunnen maken in de houding, bewegingen en krachtsinspanningen.

 

Prognose
Ongeveer 80% van de patiënten is na een halfjaar (vrijwel) hersteld en ongeveer 90% na 1 jaar. Patiënten zijn zich vaak niet bewust van de duur van de klachten. Er is helaas geen behandeling om de herstelduur te verkorten.

 

Bronnenlijst

  1. Assendelft, W., Smidt, N., Verdaasdonk, A., Dingjan, R. and Kolnaar, B., 2009. Epicondylitis. [online] NHG-Standaard. Available at: <https://richtlijnen.nhg.org/standaarden/epicondylitis#volledige-tekst>.

  2. Boumans, M. and Ooy, A., 2015. Het onderzoek van de bovenste extremiteiten. 6th ed. Maarssen: Elsevier gezondheidszorg, p.51.

  3. Fysiostart, n.d. Elleboog. [online] Fysiostart. Available at: <https://www.fysiostart.nl/diagnostischetesten/index.php?page=5&region=8>.

  4. Verhaar, J. and van Mourik, J., 2008. Orthopedie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, pp.552-553.