Voor 23:59 besteld = binnen 24 uur verzonden*!

Home » Coschappen » Gynaecologie en verloskunde » Zwangerschap en infecties

Zwangerschap en infecties

Het screenen en voorkomen van infectieuze ziektes is een integraal deel van routine prenatale zorg.

Groep B streptoccos (GBS)
Belangrijke oorzaker van perinatale infecties. Asymptomatische lower tract kolonisatie vindt plaats bij 30% van de zwangere vrouwen, maar kweken kunnen positief zijn (periodiek). Ongeveer 50% van de kinderen die worden blootgesteld aan het organisme in de lagere genitale tract zullen worden gekoloniseerd. Meestal heeft dit geen gevolgen, echter als er geen sprake was van preventieve behandeling, vindt sepsis plaats bij 1,7 op de 1000. Er zijn 2 manifestaties van de klinische infectie mogelijk van de nakomeling:

  • Early onset: manifesteert zich als septische shock en bloedvergiftiging, pneumonie of meningitis en vindt vaak tijdens het eerste week van de leven plaats. Het komt vaker voor bij preterm nakomelingen dan in term.
  • Late-onset: Dit vindt later plaats, bij kinderen ouder dan 6 dagen. Het kans ontstaan als resultaat van verticale transmissie of bv community-acquired infectie.

Het wordt aanbevolen om de screening tijdens de 35e tot 37e week van de zwangerschap te doen. Alle vrouwen die GBS positief zijn bij rectovaginale kweek moeten antibiotica profylaxis krijgen tijdens de bevalling of wanneer de membranen/vliezen breken. Als de kweek status niet bekend is, moet je de profylaxis geven als:

  • Preterm labor (jonger dan 37 weken)
  • Preterm premature breken van membranen. (eerder dan 37 weken van de zwangerschap)
  • Als de membrane 18 uur of langer breken.
  • Maternale korts tijdens de bevallen. (boven de 38 graden)

Vrouwen met GBS bacteriurie tijdens hun huidige zwangerschap of vrouwen die al eerder een kindje met early-onset GBS hebben gekregen zijn ook kandidaten voor intrapartum antibiotica profylaxe. Als er geen kweekresultaten zijn moet je de profylaxe dus alleen geven op basis van de risicofactoren die er zijn voor early-onset GBS.
Bij de moeder kan postpartum koorts een indicatie geven op postpartum endometritis, sepsis en zelden meningitis. Dit kan allemaal veroorzaakt worden door GBS.Bij endometritis ontstaat het plots en binnen 24 uur na bevalling. Significante koorts en tachycardie zijn dan aanwezig, sepsis kan volgen. 

 

Herpes
Herpes simplex virus (HSV) is een dubbelstrengs DNA en het kan gedifferentieerd worden in 2 types; 1 en 2. HSV-1 is de primaire etiologische componeten van bv herpes labialis (koorstblaasjes). Meeste genitale infecties worden veroorzaakt door HSV-2. Echter HSV-1 genitale infectties komen ook steeds vaker voor, vooral bij adolescenten en jonge vrouwen. Ongeveer 80% van de nieuwe genitale infecties bij vrouwen komt door HSV-1. Herpes infecties kun je als volgt categoriseren:

  1. Primair: Vrouwen zonder bewijs van een eerdere HSV infectie (seronegatief voor HSV-1 en 2). 
  2. Non-primaire first episode: vrouwen met een geschiedenis van heterologe infectie (bv eerst HSV-2 met een voorgaande HSV-1 infectie)
  3. Recurrent: ziekte vindt plaats bij vrouwen met klinische of serologisch bwijs van een eerdere genitale herpes (van het zelfde serotype). 

De primaire vorm oefent de grootste risico uit op het foetus. De foetus/neonaat kan geïnfecteerd raken door ascending infectie na spontane ruptuur van de membranen of door passage door een geinfecteerde lagere genitale tract tijdens de bevalling.  Met een primaire infectie ten tijde van bevalling is het risico op neonatale infectie rond de 50%, dit percentage is lager bij recurrente infectie (3%) door dat de omvang van de inoculum dan veel lager is. Als de infectie gelokaliseerd is gaat het meestal goed, echter als het verspreidt is de prognose slecht. De diagnose is verdacht wanneer er bij klinische examinatie de karakteristieke tedere blaasjes gevonden worden met ulceratie gevolgd door korstvorming. Je kan de diagnose bevestigen d.m.v. het kweken van de virus, waarbij positieve resultaten meestal binnen 72 uur te zien zijn. PCR is ook beschikbaar en meer sensitief. Ook is serologisch testen mogelijk voor HSV 1 en 2 Ig. Je doet dit meestal gescheiden voor beide types. Tijdens de prenatale bezoek zou je alle zwangere vrouwen moeten vragen naar een voorgeschiedenis van HSV. Als een infectie wordt verdacht tijdens het verloop van de zwangerschap bij een vrouw die hier geen geschiedenis voor heeft moet er een kweek van de laesie genomen worden om de diagnose te bevestigen. Je moet bij zulke vrouwen of vrouwen met een voorgeschiedenis de lagere genitale tract goed inspecteren,als je geen laesie vind dan is vaginale bevalling veilig. Keizersnee wordt geïndiceerd als herpes laesies worden geïdentificeerd op de cervix, vagina of op de vulva ten tijde van zwangerschap of bij spontane ruptuur van membranen.Acyclovir is veilig tijdens de zwangerschap en kan worden gebruikt als symptomen ernstig zijn. Daarnaast kan er bij patiënten met recurrente HSV deze medicaties aangeboden worden voor onderdrukking van uitbraak, hiermee wordt gestart tijdens het 36e week om het risico op virale shedding en keizersnee door actieve laesies te voorkomen. 

 

Rubella
Dit is een RNA virus, met belangrijke perinatale invloed als de infectie tijdens zwangerschap plaatsvindt. Wanneer er sprake is van infectie, is de immunisatie levenslang, echter een geschiedenis van voorgaande is een onbetrouwbare indicator van immuniteit. 50% Van de volwassen vrouwen zijn asymptomatisch. Symptomen kunnen o.a. Zijn koorts, uitslag (rash) dat zich vanaf het gezicht naar de extremiteiten en romp verspreidt, hoofd en nek lymfadenopathie, conjunctivitis en arthralgia (gewrichtsstijfheid).Als een vrouw rubella tijdens het eerste trimester ontwikkelt in er een toegenomen risico op spontane abortus en congenitale rubella syndroom. Alle nakomelingen met dit syndroom zien er normaal uit bij de geboorte, sommige ontwikkelen signalen van infectie. Meeste defecten zijn geassocieerd met congenitale hartziekte, mentalevertraging, doofheid en catarct. Het risico op aangeboren rubella is gerelateerd aan de zwangerschapsduur ten tijde van de infectie, het is het hoogst bij 12 weken zwangerschap (80% verticale transmissie)/ Primaire infectie kan worden gediagnosticeerd d.m.v. serologisch testen naar maternale IgM en IgG antilichamen tijdens de acute en herstellende stadia van de infectie. Door de serieuze foetale implicaties is prenatale screening voor IgG rubella routine. Alle zwangere vrouwen zouden er voor gescreend moeten worden. Jonge vrouwen moeten gevaccineerd worden wanneer ze nog niet zwanger zijn als ze er vatbaar voor zijn. Er worden hierbij antilichamen geïnduceerd in alle rubella non-immune vrouwen. Bij vrouwen bij wie bij prenatale screen een gebrek aan rubella antilichaam is, wordt vaccinatie postpartum ten tijde van ontslag uit het ziekenhuis aangeraden. Hierbij zijn er geen risico’s voor het kind of en is er ook geen contra-indicatie op borstvoeding. Als rubella wordt gediagnosticeerd bij zwangere vrouwen, moet de patiënt geadviseerd worden op het risico dat de foetus ook de infectie kan bevatten en moet er counselling plaatsvinden voor opties om de zwangerschap te verduren. Omdat er geen effectieve behandeling is tegen rubella moeten zwangeren vrouwen die geen immuniteit hebben geadviseerd om potentiële blootstelling te vermijden. 

 

Hepatitis
Het is de meest voorkomende en serieuze infectie dat kan plaatsvinden bij zwangere vrouwen. Er zijn er 6 verschillende geïdentificeerd. Type A en B kunnen worden voorkomen middels vaccinatie. 

Hepatitis A
Het wordt overgedragen d.m.v. fecaal-orale transmissie. Goede hygiene is dus belangrijk om het te voorkomen. Echter je voorkomt het het effectiefst d.m.v. vaccinatie. HAV infectie vertoont geen progressie naar een chronische infectie. Diagnose doe je d.m.v. demonstratie van anti-HAV IgM antilichamen. HAV infectie heeft geen specifieke effecten op zwangerschap of op de foetus, ook is er geen contra-indicatie op borstvoeding. Vaccinatie heeft ook minimale effect op de foetus omdat het geïnactiveerde gepurificeerde virale eiwitten bevat. Vaccinatie wordt aanbevolen aan IV drugs gebruikers, mensen met bepaalde medische stoornissen, mensen die werken onder bepaalde condities (bv lab) of mensen die reizen naar landen waarbij er sprake is van endemische HAV infectie. HAV Ig is effectief voor zowel pre- en post-blootstelling profylaxe en kan worden gebruikt tijdens de zwangerschap.

Hepatitis B
Dit is veel serieuzer dan A. Het wordt overgebracht d.m.v. de parenteral route en door seksueel contact. 10 tot 15% van de geïnfecteerde volwassenen zal een chronische infectie ontwikkelen, sommige hiervan zullen dragers worden. Het testen voor hepatitis B oppv antigen (HbsAG) tijdens zwangerschap wordt routinematig gedaan, omdat 50% van de geïnfecteerde vrouwen een gebrek hebben aan hoge risicofactoren. Transmissie is afhankelijk van en gerelateerd aan de aanwezigheid of afwezigheid van maternale hepatitis B e antigen (HBeAG). Als de patiënt positief is voor de e antigen, indiceert dit op een hoge virale load en actieve virale replicatie. De foetus heeft dan een kans van 70 tot 90% om geïnfecteerd te raken, meeste van zulke nakomelingen zullen chronische dragers worden. Het risico op foetale infectie is hoger als de maternale infecties plaatsvindt tijdens het derde trimester. Neonatale infectie kan ook plaatsvinden d.m.v. het borstmelk. Vrouwen die HbsAG negatief zijn met risicofactoren voor HBV infectie moet vaccinatie aangeboden krijgen tijdens de zwangerschap. Vrouwen die blootgesteld zijn geweest aan HBV moeten hepatitis B immunoglobuline (HBIg) aangeboden krijgen. Alle nakomelingen krijgen vaccinatie tegen hepatitis B, de initiële injectie wordt gegeven tussen 2 dagen en 2 maanden van bevalling. Nakomelingen van moeders die HBsAG positief zijn krijgen de vaccinatie en HBIg binnen 12 uur van geboorte. Borstvoeding is geen contra-indicatie bij vrouwen die chronische dragers zijn als hun nakomelingen zowel de vaccinatie als HBIg binnen 12 uur van bevalling hebben gekregen. 

Hepatitis C
Dit wordt net als B parenteral/ verticaal of seksueel overgedragen. Het is vaak asymptomatisch . De diagnose kan gemaakt worden d.m.v. serologisch bewijs van anti-HCV IgG. Antilichamen kunnen echter soms niet gedetecteerd worden tot na 10 weken van van klinische ziekte. PCR identificatie van HCV RNA kan handig zijn als toevoegsel bij diagnose van vroege en chronische infectie. De aanwezigheid van anti-HCV antilichamen levert geen immuniteit en voorkomt ook geen transmissie van infectie. 50% Van de geïnfecteerde individuen zullen een chronische infectie krijgen. Screenen naar HCV infectie wordt niet routinematig gedaan. Verticale transmissie vindt plaats bij 2 tot 12%, het risico op foetale infectie is hierbij gerelateerd aan de hoeveelheid C RNA virus in het maternale bloed. Maternale co-infectie met human immunodeficiency virus (HIV) is ook geassocieerd met een hoger risico op verticale transmissie van HCV. Andere risicofactoren voor foetale infectie zijn verlengde ruptuur van membranen tijdens bevalling en het  gebruik van invasieve foetale monitoring. Er zijn tot heden geen preventieve maatregelen bekend voor het reduceren van het risico op moeder-kind transmissie. Er is geen contra-indicatie voor borstvoeding bij vrouwen met HCV. Ig bevat geen antilichamen voor HCV en heeft geen rol in post-exposure profylaxe.

Hepatitis D 
Dit is een incomplete virale component dat alleen een infectie kan veroorzaken in de aanwezigheid van HBV. Transmissie is parenteraal, chronische infectie kan plaatsvinden, het resulteert in ernstige ziekte bij 70 tot 80% van de chronisch geïnfecteerden en mortaliteit kan wel 25% worden. Verticale transmissie kan, maar is zeldzaam. Diagnose kan worden gemaakt door identificatie van anti-HDV IgM en HDV antigen bij acute ziektes. Er is nog geen vaccinatie. Maatregelen om HBV te voorkomen kunnen ook worden gebruikt ter voorkoming van HDV. 

Hepatitis E
Een waterborne ziekte (door water overgedragen). Het is zelfbeperkend, maar is geassocieerd met hogere mate van fulminant hepatitis E en mortaliteit bij zwangere vrouwen, dit kan zo hoog worden als 20% na infectie tijdens het derde trimester.  Co-infectie met HIV is geassocieerd met ernstige ziekte en hogere mortaliteit bij zwangerschap.  Diagnose wordt gedaan door serologisch testen op HEV-specifieke antilichamen bij vrouwen met travel exposure. Er is nog geen vaccinatie. Verticale transmissie kan, maar is erg zeldzaam. 

 

Human immunodeficiency virus (HIV) en acquired immune deficiency syndrome (AIDS)
Wereldwijd zijn ongeveer 50% van de geïnfecteerden met HIV vrouwen. De latente periode waarbij HIV zich tot AIDS ontwikkelt is ongeveer 11 jaar. HIV wordt AIDS zodra de helper (CD4+) lymfocyten minder worden en de gastheer meer vatbaar wordt voor andere type infecties. Door de beschikbaarheid van antiretroviral drugs  is de levensduur en QoL dramatisch toegenomen. HIV is een enkelstrengs RNA retrovirus dat de abiliteit heeft om opgenomen te worden door cellulaire DNA of CD4+ cellen zoals monocyten, lymfocyten en sommige neurale cellen. Als er eenmaal sprake is van infectie, vindt meestal binnen 2 tot 8 weken seroconversie plaats (van sero- naar +). HIV blijkt geen invloed op de zwangerschap te hebben en andersom ook niet. Zowel HIV als de zwangerschap kunnen de natuurlijke geschiedenis, presentatie en behandeling of significantie van bepaalde infecties  beïnvloeden. Dit kan vervolgens geassocieerd worden met zwangerschapscomplicaties of perinatale infectie.  Een vb van zo een infectie is bv syfilis. Alle vrouwen laten een afname van in het absolute CD4+ celaantal zien, dit komt secundair door bloedverdunning. In tegenstelling daarvan blijft het percentage CD4+ cellen stabiel. Daardoor is percentage een meer nauwkeurigere meting van de immuun functionering voor HIV-geïnfecteerde vrouwen. De baseline rate van perinatale HIV transmissie zonder profylactische therapie is 25% en het is gerelateerd aan hogere viral loads en lager CD4+ aantal. Zidovudine monotherapie zorgt ervoor dat de perinatale transmissie lager dan 8% is. Met combi van antiretrovirale therapie en een ondetecteerbare virale load, is de transmissie ongv 1 tot 2%.Transmissie kan zowel intrapartum, postpartum als antepartum plaatsvinden (borstvoeding), echter 66 tot 75% van de transmissie gebeurt vooral in het intrapartum periode. 

Screening & testen
Initieel screenen doe je d.m.v. ELISA dit is gebaseerd op een antigen-antilichaam reactie. In 99% van de gevallen, worden antilichamen voor HIV detecteerbaar na 3 maanden van infectie. Als de resultaten van ELISA + zijn doe je een Western blot -> identificeert antilichamen tot specifieke delen van de virus, hiermee bevestig je de diagnose. Je wordt pas HIV+ genoemd als zowel de ELISA als de western blot positief worden.  Dit heeft een sensitiviteit + specificiteit dat groter is dan 99%. Vrijwillige HIV screening voor zwangere vrouwen zou een onderdeel moeten uitmaken van de standaard prenatale laboratoriumtesten, tenzij de patient die niet wil. Als ze dit niet wil moet je dit wel documenteren. Additioneel kan een derde-trimester screening worden aangeboden aan vrouwen die een hoog risico hebben (STD/ drugs/ signalen of symptomen van acute HIV tijdens de zwangerschap) en ook aan vrouwen die het dus in eerste instantie hadden geweigerd of een nog ongedocumenteerd HIV status hebben ten tijde van bevalling. 
Alternatief voor de ELISA + western blot: snelle hiv test ->  resultaten zijn binnen enkele uren beschikbaar, ze zijn dus vooral bruikbaar wanneer een patiente et een onbekende HIV status zich presenteert aan het begin van haar bevalling. Als het + is, moet het bevestigd worden d.m.v. Western blot test of immunofluorescentie analyse, voordat je de vrouw echt HIV+ kan noemen. Als de test + is, moet wel direct worden gestart met antiretrovirale therapie. 
Het beleid van HIV is het nemen van antiretrovirale therapie & maatregelen nemen om transmissie naar het kind te vermijden. Antiretrovirale therapie is een sleutelcomponent om de perinatale complicaties te reduceren tot wel 1 tot 2%. Het kan worden toegediend tijdens zowel de antepartum als intrapartum periode en ook aan de neonaat. Naast de ziekte status van de moeder + de virale load zijn er nog andere risicofactoren voor verticale transmissie van HIV: chorioamnionitis, verlengde ruptuur van membranen, invasieve foetale monitoring en manier waarop de bevalling plaatsvindt. 
Het bewustzijn van de maternale HIV status kan de management van de zwangerschap + bevalling begeleiding om het risico op transmissie naar de foetus te minimaliseren. 

  • Je moet tijdens de zwangerschap een vruchtwaterpunctie & vlokkentest vermijden. 
  • Tijdens de bevalling neemt de kans op transmissie lineair toe met een langere duur van het breken van de vliezen. Een epiostomie, vacuumextractie of tang vergroten normaliter het transmissierisico, echter omdat deze procedures de duur verminderen neemt het risico op transmissie tijdens een vaginale bevalling af. 
  • Het gebruik van foetale schedelelektroden en foetale schedelmonstering moet vermeden worden. 
  • Keizersnee voor het begin van de bevalling + breken van de vliezen vermindert het risico op perinatale hiv-transmissie. Hierdoor wordt een keizersnee bij 38 weken ingepland. Dit wordt alleen aangeraden bij vrouwen met een virale load groter dan 1000 copies/mL. 
  • Ook kan het doorgegeven worden d.m.v. borstvoeding dat moet daarom vermeden worden bij een hiv-infectie als er andere veilige alternatieve beschikbaar zijn. 

 

HPV (humane papilloma virus) 
Meer dan 1/3e van de seksueel actieve vrouwen is zijn ooit in aanraking gekomen een type HPV. Tijdens de zwangerschap nemen genitale wraten (condyloma acuminata) toe in omvang en gebied, dit komt vooral door de immunosuppresie. Om de genitale HPV-laesies te behandelen kan tijdens de zwangerschap gebruik worden gemaakt van cryotherapie/lasertherapie en trichloorazijnzuur. Bij uitgebreide laesies kan een keizersnede nodig zijn om overmatige trauma te voorkomen. Behandeling van genitale HPV laesies wordt vaak vertraagd tot na de zwangerschap, omdat ook spontane genezing kan optreden. Transmissie van HPV naar moeder naar kind is erg zeldzaam, het uit zich als het gebeurd als laryngeale papillomatosis. Een keizersnede kan transmissie niet voorkomen. 

 

Syfilis
Dit is een systeemziekte en het wordt veroorzaakt door Treponema pallidum.  Het wordt overgedragen door direct contact, waarbij de ziekteverwekker de slijmvliezen of beschadigde huid binnendringt. Gewoonlijk ontstaat er na 6 weken na blootstelling een pijnlijke ulcer op de plek binnenkomst dat enkele weken aanwezig blijft. Een tot 3 maanden later ontstaat er huiduitslag en soms verhoogde laesies (condyloma lata) op de genitalien. T. pallidum kan na 16 weken van de zwangerschap langs de placenta bij de foetus komen, transmissie kan tijdens elk stadium van de maternale infectie plaatsvinden. Spontane abortus, doodgeboren en neonatale sterfte kunnen het gevolg zijn. Pasgeborenen met congenitale syfilis kunnen asymptomatisch zijn of de klassieke tekenen van het syndroom hebben. Meestal pas na 10 tot 14 dagen van de bevalling symptomen zichtbaar. Congenitale syfilis kan voorkomen worden d.m.v. goede maternale behandeling. Om deze reden zouden alle zwangere vrouwen zo vroeg mogelijk in de zwangerschap en bij de bevalling nogeens serologisch moeten worden gescreend. Zo heb je de treponamal-specific test waarmee de infectie bevestigd wordt en er specifiek voor T.pallidum antilichamen worden geidentificeerd. Als de test + is geeft het een indicatie voor actieve ziekte of eerdere blootstelling onafhankelijk of er behandeld is. De test blijft + voor de meest individuen. Ook bij zwangere vrouwen behandel je met penicilline.

 

Gonorroe 
In vrouwen met risicofactoren of symptomen moet vroeg in de zwangerschap en opnieuw in het 3e trimester worden gescreend op Neisseria Gonorroe. Hoeveelheid zwangerschappen met gonorroe varieert tussen de 1 en 7%. De diagnose kan gesteld worden d.m.v. PCR. Het wordt maternaal behandeld met cefalosporine. Alle vormen van gonorroe moet wel gedocumenteerd worden aan de zorgverlener. Tijdens bevalling kan het organisme worden overgedragen op het kind met een gonokokken oogontsteking als gevolg. Om dit te voorkomen moeten alle neonaten routinematig profylactische behandeling met steriele oogzalf met erythromycine of tetracycline krijgen. 

 

Chlamydia
Vroeg in de zwangerschap en afhankelijk van risicofactoren ook in de 3e trimester moet er gescreend worden op Chlamydia trachomatis. De diagnose wordt gesteld aan de hand van een kweek, DFA-kleuring, ELISA, DNA probe of PCR. In zwangere vrouwen is het meestal asymptomatisch echter urethritis of mucopurulente cervicitis kunnen wel voorkomen. Chlamydia wordt geassocieerd met postpartum endometritis en onvruchtbaarheid. Een genitale chlamydia-infectie moet tijdens de zwangerschap worden behandeld met azitromycine of amoxicilline. Bij 50% raakt de neonaat ook gekoloniseerd. Ze ontwikkelen dan snel na de bevalling purulente conjunctivitis of na 1 tot 3 maanden een pneumonie. Je moet continue gaan testen of de behandeling succesvol is gelukt na behandeling bv d.m.v. een kweek na 3 of 4 weken tijdens de zwangerschap. 

 

Cytomegalovirus (CMV) 
Dit is een DNA herpesvirus. Ongeveer 1% van alle neonaten zijn geinfecteerd met CMV in utero.  Meeste CMV infecties zijn asymptomatisch, 5% laat echter symptomen zien bij de geboorte. (o.a. Geelzucht en trombocytopenie) De virus kan overgedragen worden d.m.v. speeksel, sperma, cervicale secreties, borstvoeding, bloed of urine. Het is dus vaak asymptomatisch, maar kan soms een koortsige ziekte veroorzaken. De aanwezigheid van Ig tegen het virus geeft geen immuniteit. De prevalentie van antilichamen is inverse proportioneel met leeftijd en socio-economische status. Het risico op CMV in neonaten is significant hoger bij een primaire maternale infectie dan bij een terugkerende maternale infectie. In sommige gevallen is IUGR een gevolg. Langetermijn gevolgen zijn ernstige neurologische verslechtering en gehoorverlies. Er is geen effectieve vaccinatie of behandeling voor maternale of foetale infectie. Screening wordt dan ook niet aangeraden. Als het bij vrouwen vermoed kan je diagnose stellen d.m.v. een kweek of PCR. 

 

Toxoplasmose
Het wordt zwangere vrouwen afgeraden om rood vlees te eten, kattenbak schoon te maken (contact met feces is gevaarlijk) of te tuinieren. Het gaat hier niet om katten die alleen kattenvoer eten, maar om katten die ook prooien vangen.  De cellulaire parasiet Toxoplasma gondii kan namelijk overgedragen worden. In immuuncompetente mensen is de infectie gewoonlijk asymptomatisch en zelfbeperkend. Meer dan de helft van de kinderen waarbij de moeder geinfecteerd zijn tijdens de laatste trimester, is er serologisch bewijs van infectie. Driekwart van de kinderen vertoont geen klinische verschijnselen. Symptomen van congenitale infectie: ernstige mentale vertraging, blindheid, epilepsie enz. De diagnose kan gesteld worden d.m.v. seroconversie, dit moet echter wel worden bevestigd in een Toxoplasma reference laboratory voordat er met een behandeling begonnen wordt. Op plekken met hoge prevalentie van CMV wordt tijdens de zwangerschap routinematig gescreend. De behandeling van acuut geinfecteerde zwangere vrouwen kan d.m.v. spiramycine, hiermee verlaag je het risico op foetale transmissie. (restverschijnselen worden hiermee niet voorkomen). Als foetale infectie is opgemerkt kunnen pyrimethamine en sulfadiazine het risico op congenitale infectie en de ernst van de ziekte verminderen. Preventie van de infectie is een belangrijk onderdeel van prenatale zorg. Het bestaat uit een aantal adviezen, welke zijn gericht op het vermijden van de geinfecteerde substanties (zoals rauw vlees en kattenfeces). 

 

Varicella zoster virus
Dit is zeldzaam, het komt niet vaak voor door de hoge mate van immuniteit in vrouwen van reproductieve leeftijd. 

 

Parvovirus 
Een maternale infectie met het parvovirus B19 kan ernstige gevolgen hebben voor de foetus, zoals spontane abortus, foetale non-immuun hydrops foetalis en zelfs sterfte. Seroprevalentie neemt toe met de leeftijd en is zelfs meer dan 60% bij adolescenten en volwassenen. Risico op transplacentale infectie is laag. Je kan de maternale immuunstatus bepalen d.m.v. serologisch onderzoek. Aan blootgestelde vrouwen IgM en IgG serologisch onderzoek worden uitgevoerd. Hierna wordt echo aangeboden. Je moet hierbij kijken naar foetale hydrops, placentomegalie en groeiverstoring. Er is nog geen specifieke behandeling ervoor. Als er geen hydrops ontwikkelt in de foetus, zijn de long-term uitkomsten goed met een normale ontwikkeling. 


Bronnenlijst

  1. Beckmann C. Obstetrics and gynecology. 7th edition. 2013.